De dag en de tijd

De dag dat de tijd nog niet voorbij was
Ik jou in mijn verborgene hield
De dag dat jij verbonden was aan mij
Mijn hart klopte hoorbaar dicht bij jou
De dag dat de tijd nog niet voorbij was
Jij in het felle licht zichtbaar werd voor mij en hem,
hij hield je vast in zijn grote hand
Liefde was nog nooit zo voelbaar geweest

De dag dat de tijd nog niet voorbij was
Kleine snikjes, grote tranen, lachjes in het verschiet
Wij omarmden ons grote kleine geluk
Lief, lief mooiste, het allermooiste geschenk

De dag dat de tijd nog niet voorbij was
Kruipen, lopen, vallen en opstaan
Gaan, gaan! Haren in de wind, de wil is sterk
Groot, groter, je groeit, maar nog steeds intens door ons bemind.yinn

De dag dat de tijd nog niet voorbij was
Laat de wijzer nooit verder verschuiven,
Blijf, blijf voor altijd dichtbij, dat de tijd verloren zal gaan
Dat ik je kan verbergen, voor altijd klein kan houden,
Voor altijd zal ik je liefhebben, koesteren,
Ik leer je bewonderen, ontdekken, avonturieren, leven
Leef mijn mooiste, dierbaarste, kleinste, grootste, wijste,
slimste, oudste, middelste, jongste kind..

©Wendyvanschaik2014

De wind, de klok en het meisje

Het meisje waaide zoals altijd met alle winden mee.
Lopend op de wijzers van de klok die langzaam tikkend hun ronde deden. Hoewel niets haar kwam aanwaaien was de wind altijd haar vriend geweest.
In moeilijke tijden was hij het die haar een duwtje in de rug gaf.
Toch was er een tijd dat er niets was. Het was windstil.

Het meisje werd wakker op dezelfde tijd als de dagen daarvoor.
Ze wist niet wat de dag haar ging brengen maar daar maakte ze zich ook nooit druk over. Het leven komt zoals het komt en het gaat wanneer het wil.
Het meisje stond op en liep naar de badkamer om zich te wassen. Ze kamde haar haar, poetste haar tanden en trok haar kleren aan.
Ze bekeek zich in de spiegel, alhoewel ze liever haar spiegelbeeld ontweek. Ze vond het moeilijk om haar spiegelbeeld aan te kijken. Haar spiegelbeeld was woest, lelijk en gemeen. Ogen van afgunst waren het die haar terugkeken en die kwamen recht haar ziel binnen.
Snel,  maakte ze dat ze wegkwam. Ze trok haar jas aan en ging staan op de wijste wijzer van de klok, wachtend tot de wind haar voort zou duwen.
Ze zag de zon opkomen, en tegen het middaguur, toen de wijzer nog geen tik was versprongen op de klok, vroeg ze zich af of de wind nog wel zou verschijnen.

“ Hij laat nogal op zich wachten, is het niet?” zei de grote wijzer.
“ Dit is niets voor hem, normaal is hij altijd erg stipt” zei de kleine wijzer.
Het meisje antwoordde twijfelend: “ Misschien had hij vandaag belangrijkere zaken aan zijn hoofd.
“ Onzin!”, zei de grote wijzer, “wat kan er nu belangrijker zijn dan om jou op weg te helpen.”
“ Nee, we wachten nog even. We zullen zien dat er spoedig een briesje zal komen”
Ze zagen de zon opkomen, op haar toppunt schijnen en weer ondergaan.
Maar geen briesje, geen zuchtje, had het meisje gevoeld.
Toen de nacht was gevallen en de maan het van de zon had overgenomen, de sterren begonnen te twinkelen, besloot het meisje maar te gaan.
Ze nam afscheid van de wijzers en stapte van de klok af.
Net toen ze zich wilde omdraaien en naar binnen wilde lopen zag ze ineens in haar rechter ooghoek een blaadje spelend rond dwarrelen.
Ze voelde de verkoeling die ze altijd drukkend in haar rug had gevoeld en hoewel ze dat nooit aangenaam had gevonden was dit een moment die haar nieuwsgierig maakte en die anders was dan de vorige keren in haar ontmoeting met de wind.

“ Wind bent u dat? Wind ik heb de hele dag gestaan, maar ik ben niet vooruit gekomen. De tijd staat stil en ik weet niet wat ik moet doen” zei het meisje.
De wind verzuchtte: “ Kind het is tijd om zelf te lopen en te gaan.
Het meisje keek naar de weg naast de klok. Ze had er wel vaker naar gekeken maar nooit had ze de moed gehad zelf de stappen te zetten.
Wie wist wat er zou zijn als ze het pad zou aflopen, waar zou ze dan terechtkomen?

“ Loop het pad af” , klonk het, “ Loop het pad af” .
“ Nu?” zei het meisje, “maar het is donker en wie zal mij leiden als u mij niet duwt?”
De wind sprak: “ Ik heb je nooit geduwd, je hebt mij achter je gezet en bent zelf op de wijzers blijven staan. Je hebt je laten leiden door de klok”.
“ Kom, kom” , zei de grote wijzer, “ De tijd tikt, snelheid is geboden, ga, kom hier en ga!”
Het meisje begon langzaam te begrijpen dat het niet de wind was die haar voort had gedreven, maar de klok. Het was de klok die haar gevangen hield.
De wind sprak zacht:
“Ik ben de wind die je leidt op de momenten dat je zelf niet durft te vliegen” .
Op dat moment tilde de wind haar op en zette haar op het pad, voorzichtig en liefdevol. Het meisje tilde haar voet op en langzaam zette ze het puntje van haar teen op de aarde en na een enkel ogenblik, rustte haar voet op de plek van de stap die ze zelf had gezet. Een stap dat voor haar een eerste plek van vrijheid werd.
Niets had haar gedwongen, niets had haar verplicht en niemand wist hoe lang het had geduurd.
Niets van dat deed er toe:
Ze had alle tijd, want de tijd stond stil..

 ©Wendyvanschaik2015

Geborgen

Mijn oor hoort jouw adem,
Mijn adem ademt mee
Zachtjes jouw hand in mijn hand, en gedwee
aai ik jouw hoofd
Jouw neus, een kusje, heel teder en klein
Mijn hart klopt in jouw maat, simpel samen te zijn
Voor even, heel even, heel eventjes lang
Mijn oor hoort jouw adem..
Zo ben ik nooit bang
Met mijn hoofd op de jouwe, zo heel dichtbij
Ademen we vrede op aarde
Is de wereld eventjes ik en jij

©wendyvanschaik2015

Stille vrede

Angst smelt als sneeuw voor de zon
Schaamte neemt haar sluier af
Onrust legt haar hoofd te ruste
Jaloezie dankt uit tevredenheid

De tong zwijgt, het hart juicht
De ziel vindt verkoeling bij levend water
De chaos kalmeert door stille woorden

Boosheid verzacht en legt haar wapens neer
De verdediging staat met open handen
Bitterheid wordt gezoet door stromen van liefde
Haat ontdooit door genade alleen

En wanneer er in de stilte er alleen ruimte is, de tijd even niet meer lijkt te tikken, leef ik even in de eeuwigheid.

©Wendy van Schaik 2014

Lievelingen

Mijn lief, lief ik het allerliefst van allemaal
Mijn lief, mijn lievelingen, mijn hartendieven,
Mijn allermooiste, het dierbaarste, het grootste
Mijn roze, mijn blauw, mijn hoog, mijn laag
Mijn lach, mijn traan, mijn hart in jou
Ik heb je, ik geef je, ik houd je in mijn diepste
In mijn ziel, in mijn zalig geluk, in mijn mooiste dromen
Lief ik jou, het allerliefst van allemaal…

©WendyvanSchaik2014

Troostende wind

Dan kabbelde ze
Ze kabbelde in een bootje
Woei, waaide, vaarde
Hoog, over de golven
Haar ogen dicht, de wind
De wind streelde haar haar
En koelde de verzengende brandende hitte op haar huid

En hij, hij kabbelde mee
Zat bij haar voeten
Kietelde, haar tenen
Een sprietje,
Hij lachte zijn tanden bloot
Zij bloosde, hij had haar lief
De zon verwarmde nog meer dan dat zij al hadden gevierd

Het licht bleef
Stralen schitterden
de donker wolken zouden ze niet kennen
Want het donker vond hen niet
Zij schuilden samen
Muisstil en onaantastbaar
Begroeven zich diep in hun liefde

En zo was het mooi gebleven
Zo was het goed gegaan
Zo hadden ze het kunnen pakken
Vasthouden
Grijpen
Houd het vast!
Laat niet los!
Gooi het anker uit!
Laat de liefde niet zinken in de oceaan..

Ze kabbelden…
Kabbelden naar een stroming verveling
Frisse winden waaiden verder
de kou vond zijn weg in het hart
Het gevecht van loslaten;
“Ga niet weg, blijf bij me”
Maar de liefde had besloten een andere richting in te varen…

Dus kabbelde ze
Ze kabbelde verder
Zoekend, in een bootje
Het stormde, brieste, waaide
Haar hart roepend naar hem
Haar ogen dicht,
En de wind
De wind streelde troostend haar haar

©Wendyvanschaik2014