OOGSTEN

Dat er voor je gezorgd zou worden, heb jij nooit als vanzelfsprekend gezien.
Je hebt altijd je eigen boontjes moeten doppen. Hij had dat nooit geleerd.
Hij kon alleen oogsten van de grond waarop jij gezaaid had. De vruchten hield hij voor zichzelf., voor jou de pitten en het rotte fruit.
Had hij jou gezien, dan had hij geweten  dat hij jou had moeten koesteren. Als breekbaar porselein. Hij was verblind door zijn onvermogen en hij kon niet voorkomen dat je uiteindelijk zou breken.


Je was uitgeput, leeg, verlamd.
Pas toen jouw handen niet meer konden dienen, besefte hij wat hij had gehad. Zijn maag raakte leeg en niemand gaf hem te eten.
Woedend  had hij zijn lege bord naar jou gesmeten.
Met rauwe stem schreeuwde hij waar zijn warme maaltijd bleef.
Bij het omkijken naar waar de stukken servies terecht waren gekomen, zag hij jouw lichaam liggen.


‘Goed porselein is schaars tegenwoordig’, sprak hij, terwijl hij jou begroef, daar waar jij eens gezaaid had.
De aarde bedekte zorgzaam, haast liefdevol, als een warme deken, jouw koude lijf.
Het was de rust die jij eindelijk zou oogsten.

Agnes Obel

©️Wendy

Wormpie

Wij hebben een avonturentuin. Zo’n tuin met woeste stengels onkruid en bakstenen her en der die wachten om op de juiste plek gelegd te worden. Mijn vier kinderen vinden het heerlijk. Want de tuin ziet er niet alleen avontuurlijk uit, hij is ook avontuurlijk. Regelmatig gaan ze op survival door de jungle, maken ze heuse heksensoep of bouwen ze van stenen een betoverend doolhof waarin ze dan verdwalen.

Het was dan ook op een zonnige dag dat mijn twee jongste dames en mijn driejarige peuter slenterde door het zwarte zand. Met stokken zwaaiend door de takken van de bomen en met hun kleine voeten wroetend in de zwarte aarde waren ze op zoek naar kleine dieren.

Het duurde niet lang voordat mijn zoon een verzameling pissebedden onder een steen had gevonden. “Rozijntjes! Rozijntjes die lopen!” riep hij enthousiast. “Nee, nee” , corrigeerde zijn zus hem: “pissebedden zijn dat, pissebedden”.  “En deze dan?” vroeg zusje terwijl ze tussen haar twee vingers een slakkenhuis vasthield .  “Een slak”, zei zus wijs, “dat is een slak”.

Ik genoot van het plezier dat aanwezig was in de tuin.  Helaas was dat plezier van korte duur.

Niet veel later komt zus gillend en woest naar binnen gestormd:
“Mama! Ik had een worm gevonden die noemde ik wormpie en het was mijn beste vriendje en ik liet hem aan zusje zien en die heeft zo zijn kop eraf gehakt! Met een schep!
Maar het werd nog erger!Toen bewoog hij nog, toen had ik hem ergens neergelegd en toen hebben ze hem met een plank nog platter gemaakt!”

Ik schiet in de lach.

“Mama daar moet je niet om lachen! Hoe zou jij het vinden als jouw vriendje dood werd gemaakt!”

Ik houd mijn lach in en in stilte onderga ik de vermaning van mijn dochter, want om de dood van een vriend, ook al is het een worm, lach je niet.

©Wendyvanschaik2018

 

Over haast.

Ineens was het goed.
De haast in mijn lijf ging zitten
Ze keek door mijn ogen de wereld in;
Lopende mensen, zwoegend, hijgend, rennend van plaats, naar plaats.
De snelle ademhaling was voor haar geen vreemde.
“Waar lopen al deze mensen toch naar toe?”, dacht ze bij zichzelf.

Ze keerde zich naar binnen, legde haar hand op haar buik.
In en uit.
Langzaam.
Adem in en uit.
De ademstroom voelde tegennatuurlijk.
Het was de druk van het moeten dat haar een hele lange tijd voortduwde.
Zo was ze ontstaan.
Altijd op scherp,
altijd op weg,
altijd beter,
altijd moeten,
altijd alles willen hebben,
altijd eerder dan de ander,
altijd meer,
altijd grijpen, graaien, groter, gretiger.
Tot nu.
Er was iets wat de haast tot kalmte maande.
Ze wilde dat gevoel grijpen, maar het liet zich niet vangen.

“Wat is het dat mijn rennen doet stilstaan? ” vroeg ze zich af.
Ze ging zitten en staarde naar de mensen buiten haar.
Door de flitsen van het rennende heen en weer zag ze iemand zitten.
Zijn ogen ontmoette die van haar en raakten haar ziel.
Zonder te spreken wist ze dat hij zei:
“Haast, komt tot rust en leef!”
“Leef!”
Op dat moment begon de rust te stromen
Ze verwonderde zich over de vrede die het haar gaf.

Zo zat ze een hele tijd.
Totdat ze dacht:
Ik denk dat ik de haast naast me neerleg en me in deze stilte berust.
Dat deed ze.
En ze wist dat het goed was.

©wendyvanschaik2017

Het verhaal van het Licht

Lang geleden, ver weg van vandaag
Was er niets, de aarde was leeg
Het was er donker en kil
Totdat God dacht: Licht dat is wat Ik wil
Wat God zei dat ging gebeuren
Het donker dook weg
Het Licht scheen zo hard als het kon
Zo ging het toen de wereld begon
God maakte de aarde heel erg mooi
Met bomen, water, lucht, en dieren
Een man en een vrouw, omdat God met meer wilde zijn
Alles was goed in het begin, het was er vredig en fijn

Toen ging er iets mis
De mensen waren niet tevreden
Ze waren vergeten dat God voor hen zou zorgen
De mens hield zich voor Hem verborgen
Zo leek het of het licht was gedoofd
Dat het donker had gewonnen
Er was pijn, wanhoop en verdriet
De mensen dachten is er dan geen God die ons ziet?
Zal God ons dan zijn vergeten?
Het is zo duister, waar moeten we heen?
Waarom is het hier zo kil en koud
Is er dan geen God die van ons houdt?
De mensen waren in de war
Op aarde werd het een zooitje
Ze wilden lang en gelukkig leven
Waar was het Licht gebleven?
Maar God zou altijd bij hun blijven
Hij zag de mensen worstelen daar op de aarde
Hij hield veel van de mens, van iedereen
Daarom stuurde Hij een heel groot Licht hierheen

dark

Lang geleden, ver weg van vandaag
Was er een mens, Jezus is zijn naam
Hij dacht de aarde is zo donker en kil
Het Licht zijn, dat is wat Ik wil
De mensen zal ik leren liefhebben
Ik zal mijn Licht laten schijnen
Een licht wat hoop  geeft, dat niet is te doven
Hemels Licht gezonden van boven
En het Licht dat begon als een kind zo klein
Groeide op op de aarde en scheen zo hard Hij kon
Overal waar Hij kwam bracht het vrede
was het Liefde wat Hij aan de mensen leerde
Zij namen nieuwsgierig zijn woorden aan
Volgden het Licht de wereld door
Maar er werd nog steeds gevochten en geroofd
Het donker gaf zich niet gewonnen: Het Licht moest worden gedoofd.

God, hoog in de hemel keek naar de aarde
en zag dat het niet goed was, de mens viel steeds weer
Hij moest de mensen redden, Hij zag de levens in nood
Zijn liefde voor de schepping was te groot
God wist wat Hij moest doen:
Hij moest een eeuwig Licht laten schijnen
Iets wat het donker nooit zou kunnen verslaan
Hij zag zijn gezonden Licht, tussen de mensen staan.
God moest het Licht wat Hij zo lief had laten doven
Met pijn in Zijn hart,
had Hij de woorden naar Hem uitgesproken:
Dat wat zeer goed was moet worden gebroken
Het stralende Licht voelde het donker om Hem heen
Gehoorzaam  liet Hij het toe
Langzaam liet Het Licht zich doven
Maar God had een plan: Hij liet niet alles roven

Het was duister, en leeg
Drie hopeloze dagen
Er was pijn, wanhoop en verdriet
De mensen dachten is er dan geen God die ons ziet?
Zal God ons dan zijn vergeten?
Het is zo donker, waar moeten we heen?
Waarom is het hier zo kil en koud
Is er dan geen God die van ons houdt?
Waar is het Licht,
wie heeft het gestolen
God schudde Zijn hoofd
Waren de mensen dan vergeten wat Hij hen had beloofd?

Diep in het donkerste duister was er licht heel klein
Het donker schrok, zoiets was daar nog nooit geweest
het sidderde en beefde, de stralen werden groter; dreef het duister uiteen
Het Licht begon steeds meer te schijnen: het donker vluchtte en verdween

Jezus keerde terug naar de aarde
De mensen zagen Hem stralender dan ooit
Ze wisten dit Eeuwige licht raken we nooit kwijt
Het Licht had het duister verslagen in de strijd
God zag de hoop in de wereld groeien
Zijn Zoon had de opdracht vervuld
Hij riep liefdevol Zijn naam, het is goed, het is volbracht
Het donker heeft verloren, in hem is geen enkele macht
Jezus keerde terug naar de Hemel
Maar liet de mensen niet alleen op aarde
Hij liet wat Hemels Licht achter om te helpen schijnen
Zodat de mensen samen het terugkerende donker weer konden laten verdwijnen

Hier en nu, gisteren vandaag en morgen
Zwerft het donker over de aarde
Wetend dat het heeft verloren maakt het de mensen koud en kil
Het brengt zoveel mogelijk duisternis, want dat is wat het wil
Maar het Hemels Licht helpt de mensen herinneren
aan een eeuwig Licht dat nooit meer dooft
Een licht dat Hoop heet, dat begon als een kind
Dat Liefde predikt: Een Eeuwig Licht dat in Vrede verbindt..
Alleen samen maakt de mens dat Licht groter
Strooit het lichtjes over de wereld uit
Door in Liefde te geven en te ontvangen
Door naar het Eeuwige Licht te verlangen
Zal het donker de wereld nooit volledig kunnen grijpen
Het donker zal altijd hebben verloren:
door in het Licht te geloven en te blijven staan
Zal de mens in iedere strijd de duisternis blijven verslaan.

©wendyvanschaik2016

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Monoloog van Maria: Liefdevolle hoop

Het dierbaarste wat je hebt gekregen verliezen.
Het gevoel dat alle hoop vervlogen is.
Kent u dat?

De dag begon  zoals altijd.
Met de eerste zonnestralen die het huis verlichtte.
Het teken om op te staan.
Ik besloot me nog even om te draaien,
de dag zou nog lang genoeg duren
Ik denk dat ik in bed zou blijven liggen als ik had geweten wat er mij die dag te wachten stond.
De plaats waar de wijzers van de klok stonden toen het felle licht in mijn huis verscheen ben ik vergeten
Het was voor mij alsof de tijd op dat moment stil stond

Heeft u wel eens een engel gezien?
Ik had er over gehoord, maar nog nooit 1 in het echt gezien.
U zult denken dat ik gek ben, misschien..

“ Ik wens je vrede toe”.
Dat was de openingszin
Terwijl ik nog aan het verwerken was wat ik zag en of dat wat ik zag geen droom was vertelde hij dat ik de gelukkigste was onder alle vrouwen.
Want ik zou Gods Zoon gaan dragen.
Een Zoon van de allerhoogste.

Het licht van de Engel deed pijn aan mijn ogen.
Ik probeerde het moment waarin ik was in mij op te nemen.
Maar mijn verstand won het van mijn gevoel.
Ik wilde beredeneren wat er gebeurde;

Wat?
Ik, een kind!
Er zat nog niet eens een ring om mijn vinger
en dan zou er al een kind in mijn buik groeien?

Voor God is niets onmogelijk, sprak de engel helder en vastberaden.
Wat God wil gebeurt,
het zal gebeuren.

De kamer vulde zich met onvoorstelbare liefde.
Het is moeilijk dat moment weer vast te kunnen pakken
Er kwam een diepe rust, een diepe vrede over mij.
Er restte mij niets anders dan te zeggen:
Goed, De Heer mag met mij doen wat Hij wil,
dus laat het maar gebeuren.

Toen moest ik het mijn verloofde nog vertellen.
Ik had wel een tipje van de sluier opgelicht, maar dat was niet zo goed gegaan.
Jozef wilde geen praatjes, hij had besloten om in stilte van mij te scheiden.
Gelukkig was de Engel zo praktisch geweest om het, na mijn poging,  Jozef ook maar te vertellen.
Dat scheelde een hoop discussie, verwijt en beschuldigingen.
En belangrijker nog, de engel had Jozef gerustgesteld en zijn liefde voor mij werd weer aangewakkerd; hij nam mij bij zich in huis.

De dagen daarna werden dagen die begonnen zoals altijd.
Met de eerste zonnestralen die het huis verlichtte.
Het teken om op te staan
Die dag was het de tijd om naar Jozefs geboortestad te trekken.
Hoogzwanger op een ezel langs bergen en langs dalen op weg naar Betlehem.
Eenmaal daar aangekomen, deed iedere herbergier de deur dicht.
Alles zat vol.
Ik was zo moe.
Jozef, zo vindingrijk als hij is, vond een plek, precies op tijd.

Want in die nacht was Hij daar.
Mijn zoon.
Mijn lieve kleine jongen.
Een Godswonder.

Niet lang na de bevalling moesten we vluchten.
Ons thuis was niet langer een veilige haven.
Met een kind van nog geen jaar gingen we op weg.
Ik probeerde te blijven vertrouwen dat God voor ons zou zorgen,
ik hoopte dat het goed zou komen.
Als je huis en haard achter moet laten, een gevaarlijke reis moet maken met de onzekerheid waar je terecht gaat komen en of je opgevangen zult worden,  dan is de hoop het enige waar je je aan vast kunt houden.
De hoop is dan het enige wat je op de been houdt.

Er werd voor ons gezorgd:
Hij groeide op.
De tijd ging te snel.
Het eerste lachje, de eerste stapjes,
de knuffels en de kusjes.
Hij werd ouder.
Door de jaren heen heeft Hij mij doen verbazen.
De wijsheid, de zelfstandigheid, maar vooral de ongelooflijke liefde voor de ander…

Misschien mag je het als moeder van de Zoon van God niet zeggen, maar wat was ik trots op Hem.
Ik had hem zo lief en met mij vele anderen.
Hij had wel eens gesproken over wie Hij werkelijk was.
De redder van de wereld.
Hij was mijn zoon.
Ja, hun redder, maar mijn zoon.

Ik had hem zo graag nog heel even, heel even bij mij willen houden.
Een mens hoort niet te lijden.
Een moeder hoort haar kind niet te zien lijden.
Een moeder hoort haar kind niet te begraven.
De diepe donkere leegte die dat verdriet brengt is zo groot.
Het was zo donker.
Alsof iemand het Licht van de hoop had uitgedaan.
Alsof de hoop vervlogen was..
Maar ik wist..

Het was in die nacht dat Hij ter wereld kwam.
Ineens was ik moeder.
Mijn zoon.
Mijn lieve kleine jongen.
Een Godswonder.
Ik nam Hem in mijn handen, ik tilde Hem op.
Mijn handen gevuld met Hoopvolle vrede.
En ik wist, dat hoe snel het tikken van de klok de tijd zou doen verstrijken,
dat wat er ook zou gebeuren,
de Liefdevolle hoop nooit vervlogen zou zijn..

©wendyvanschaik2016

Bloeipijn

Starend. Zo zat ze. Starend naar een kale tak van de amandelboom in de tuin. De blaadjes die eens de tak sierde, lieten zich gewillig meevoeren op de zucht van de wind. Ze vroeg zich af wanneer zo’n blaadje de beslissing nam om de sterke tak los te laten.
Of was er geen sprake van een keuze. Was er geen wil, maar een moeten. Was het de kracht van de wind die het blaadje brutaal van de tak afrukte. Cynische woorden maakte haar gedachten donker.
Sommige dingen gaan nu eenmaal stuk.

Ze scheurde de laatste foto uit het album en stond op. Haar lichaam voelde zwaar. Haar benen konden haar nauwelijks dragen. De avonden van piekeren hadden zijn tol geëist. De nachten waren gemeen geweest. Het maakte dat de leegte diep in haar nog meer voelbaar werd. Op weg naar de slaapkamer stapte ze over de scherven heen die op de grond lagen.
De herinnering waarin ze zichzelf in woede de spiegel van de kant zag halen en op de grond gooide, negeerde ze.
Sommige dingen worden nu eenmaal gebroken.

Ze stond zichzelf toe haar weer te begraven onder de donkere deken. Haar bed was haar veilige baarmoeder waar niemand bij kon. Geen goedbedoelde woorden, geen ogen vol medelijden die de hare zochten. Niets van dat al. Want al dat maakte de gebrokenheid alleen maar zwaarder. De wond die zij voelde was niet te helen.
Sommige dingen moeten nu eenmaal bloeden.

Ze zuchtte.. Het maakte dat de maalstroom aan gedachten minder werd. Haar buik bewoog op en neer, ze liet zich troosten door het ritme van haar adem.
Adem. Ruach. Het was de Levensadem die haar deed leven. Het leven waar ze nu de schoonheid niet van kon ontdekken. Alles leek vervallen, alles leek voor niets, alles leek verloren.
Sommige dingen heb je nu eenmaal gekregen om te verliezen.

In het prille voorjaar had alles zo mooi geleken. Zoals de amandelboom in prachtige bloei had gestaan, zo was de liefde de vrucht die bij hun tot bloei kwam.
Zij had in hem haar kleine geluk gevonden. “ Jij bent het beste wat me is overkomen en ik wil je nooit meer verliezen” , waren de woorden die hij vol liefde naar haar had uitgesproken, met daarop volgend een “ Ja, ik wil”. Ze hadden de liefde gevierd.
Het eerste jaar was zo mooi geweest. Ze had, hoewel ze bang was om weer bedrogen uit te komen, zich in volle overgave aan hem gegeven.
“ Ik geloof dat we bij elkaar zijn gebracht, dat geloof ik echt Anne”.

Haar maag keerde zich om bij de herinnering aan de woorden die hij had uitgesproken vlak voor haar ontdekking. Ze kroop dieper onder de dekens.
Wat heeft gebrokenheid voor zin. Wat is het nut van de pijn van een wond. Hoe stelp je een wond die alleen maar groter lijkt te worden naarmate de tijd tikt, in plaats dat het tikken van de tijd wonden hoort te helen. Ze proefde het zout van haar tranen. Wat een misere. Ze was de hoofdpersoon geworden in een drama die ze zelf nooit zou hebben geschreven. Graag zou ze een hartig woordje met de auteur spreken. Had er geen ander plottwist kunnen plaatsvinden. Ze had de pen graag zelf in de hand gehad.
Dan had ze haar zogenaamde grote liefde uit haar verhaal geschreven.
Sommige verhalen moeten nu eenmaal geschreven worden.

“ Stef? Kom eens, er staat iets raars op de computer, ik denk dat je even moet komen”.
Dat waren de eerste woorden die ze had gesproken toen de naakte lichamen op het beeldscherm verschenen en dingen lieten zien waarvan zij niet eens wist dat het kon. Ze was niet zozeer geschrokken bij het beeld van naakte mensen die elkaar wellustig vastgrepen, maar meer van Stefs’ reactie.
Hij had als bevroren in de deuropening gestaan. Zijn blik verstarde, zijn armen hingen stijf langs zijn lichaam.
“ Stef?, kan je even helpen?” had ze gezegd, in de hoop dat ze daarmee de gedachte, dat dit niet de eerste keer was dat hij dit zag, in haar hoofd zou verdringen.
“Hey, wat sta je daar nou stom?” lachte ze nerveus.
Hij liep naar de computer, drukte het beeldscherm uit en met hetzelfde tempo liep hij de woonkamer weer in.
Ze liep hem achterna. “ Moet je mij wat vertellen?” “ Is dit van jou?” “Of is het weer een raar virus op onze computer?”
“Wilde je wat inspiratie op doen?” Ze wist hoe onnozel het klonk.
“ Stef? Waarom zeg je niets?”. Hij stapte bij haar vandaan. “ Ik moet even weg”.
Ze voelde de tranen opkomen. “ Even weg?…” Haar adem stokte, de woorden die ze anders zo makkelijk kon vinden waren verdwenen, het leek of haar hart stopte met kloppen, ze wilde haar handen op haar oren leggen en heel hard schreeuwen zodat zij zijn antwoord niet zou horen.
“ Anne, ik heb een heel groot probleem en dat probleem is nu van ons samen”
De amandelboom die zo mooi bloeide werd meedogenloos gesnoeid.  Hij was de brutale wind die het blad keihard van de tak had afgerukt.
“Een probleem?..”

De bel ging. Ze sleepte zichzelf uit bed, slofte naar de deur en gooide deze open.
Daar stond de dader. Er was geen uur voorbij gegaan dat zij geen woorden van oordeel over hem had uitgesproken.
Hij stond als geknakt riet voor haar.
Ze voelde diep in haar hoe de woede het gevecht aanging met haar eigen pijn en het verlangen om iets van de wil van vergeven te ervaren.
Ze ving zijn blik van schuld en berouw, ze wilde hem niet breken.
De strijd diep in haar ziel was heftiger dan het de afgelopen dagen was geweest en toch was het anders; een zachte stem die haar toesprak, die de donkere gedachten deed verstommen.
Uit haar hartenpijn bloeide genade.
Sommige dingen verdienen een kans; Gebrokenheid verdient een kans om geheeld te worden.

“ Kom binnen…”  zei ze.

©wendyvanschaik oktober 2016

Dubbelsterren : *1 “De ontmoeting”

Ze had hem wel eens eerder gezien. Hij zat altijd gedwee naast zijn ouders, zijn zusje en zijn broertje links vooraan in de kerk.
Hij viel nooit zo op. Hij was stil, beschouwend en hij had de gave om bijna onzichtbaar te zijn. Haar blik bleef nooit lang op hem gericht.

Het was op een feestelijke dag bij hem thuis dat hij haar voor het eerst echt opviel.
Terwijl de genodigden feestelijk de cola, de chips en de bitterballen aan het nuttigen waren, was hij binnen. Hij zat aan een tafel, voor het raam met een potlood in zijn hand. Schetsend verschenen er strepen op het papier.
Vluchtig liep zij langs hem en wierp een blik op de tekening die voor hem lag. Hoewel zij hem met 3 stappen al voorbij was gelopen, stapte ze deze drie stappen even vluchtig weer terug.
Hij bleef geconcentreerd – zo naar het leek-, maar voor hetzelfde waren het de zenuwen dat maakte dat zijn hoofd star op het papier gebogen bleef- zijn ogen gericht naar de strepen die samen een beeld vormde.
” Dat doe je goed! ” zei ze net iets te hard. “Zo, jij kunt echt tekenen, dat wist ik helemaal niet, ik ken echt weinig mensen, of eigenlijk, geen mensen die zo goed iets op papier kunnen krijgen!” sprak ze zonder aarzeling razendsnel uit. Het was dat haar eigen enthousiasme haar dit keer ook zo liet schrikken, waardoor ze gelijk de verschrikte uitdrukking op zijn gezicht kon verklaren. Hij gaf een zacht dankjewel en pakte zijn potlood weer op om het geschetste beeld op papier nog beter tot leven te brengen.
Leuk talent, saaie kwast, dacht ze.
Het was pas een aantal maanden later, dat hij opnieuw tot haar interesse sprak.

Dit was het laatste jaar dat ze moest. Naar de kerk. 18 jaar lang werd zij gedwongen door haar ouders om naar de kerk te gaan. Ofschoon haar ouders het niet als dwang zagen, maar als opvoeding. Ze ging, gedwee, maar meestal met tegenzin, alhoewel ze de laatste drie jaar een soort van vrede had met het Christelijke verwarde nest waarin ze was opgegroeid. Daarom besloot ze dit jaar , vrijwillig, mee te gaan met het zogenaamde clubkamp.
Toen de groep zich had verzameld voor de kerk, had ze al spijt. Ze kon zich wel een betere invulling van het weekend voorstellen dan op de fiets naar Schoonoord gaan, om daar 2 ijskoude, natte nachten in legertenten door te brengen. Eenmaal ja, is ja, was haar geleerd en ze zou zich niet snel laten kennen, laat staan het weekend zeurend door brengen. Dit weekend zou ze dapper, als het moet strijdend, doorstaan. Ze had haar sigaretten, haar muziek en genoeg kleding om de koude nachten warm door te komen.

Het was op de tweede avond, bij het kampvuur.
Ze zocht een plek. Er was nog een stoel over, naast de saaie kwast. Ze had eigenlijk wel zin in een zwijgzame avond en ze wist dat de lege stoel naast hem de geschikte plek was om niet gestoord te worden..

” Koud he” , begon hij het gesprek. Shit, dacht ze, enigszins verbaasd, de kwast kan praten. ” Nou, zeg dat wel” , zei ze met een kleine glimlach -korte antwoorden, dachten ze, korte antwoorden geven, dan is het gesprek snel afgelopen en kan ik weer even in mijn zwijgzame wereld kruipen, om daar mij af te keren van dit vreselijke weekend.

Hoe had ze de keuze kunnen maken om met een stel zogenaamde Christenen een weekend lang op nat gras te verblijven. Ze had de afgelopen 18 jaar nooit echt haar draai kunnen vinden in de jonge kudde. Hun interesses, waren niet haar interesses. Zij hield van uitgaan, muziek – het genre waardoor je zeker in de hel zou komen, volgens sommige Christelijke leeftijdsgenoten,- en vaak ging ze rechtstreeks vanuit het cafe, zondagochtend door naar de kerk, om vervolgens achterin te gaan zitten en daar -traditiegetrouw- te ontbijten met een appel.
Daarnaast begreep ze de gemeente ook niet altijd. Er werd liefde gepredikt, maar tijdens de koffie werd er vaak genoeg haat en nijd verkondigt. Het dubbelleven van sommige kudde-genoten vond ze te verwarrend. Zij leefde dan misschien niet goed of onrein, als een zwarte schaap in de kudde -als ware iemand die verdoemd was-, daarin tegen was zij niet bang om op catechisatie vragen te stellen, te zoeken en haar twijfel aan God, de Bijbel en alles wat daarbij komt kijken kenbaar te maken. Ze wilde niet het geloof van haar ouders als een kant en klaar klontje, voor zoete koek nemen.  Uiteindelijk besloot ze op haar 18e dat God er was, er altijd al is geweest en er ook altijd zal zijn, maar hoe en op wat voor manier precies daar had ze nog een heel leven voor om uit te zoeken. Ze beloofde in ieder geval zichzelf, en ook God – als Hij luisterde- dat zij altijd echt zou zijn en niet zou doen alsof zij de perfecte Christen was, want dat was ze namelijk absoluut niet. Dat laatste werd haar dit weekend er nog even duidelijk ingepeperd. Ze had het gehad en wilde naar huis. Ze telde de minuten af door zich af te sluiten van deze zogenaamde Christelijke vrienden.

Dat verging haar tot dusver erg goed. Helaas begon de – eens zo verlegen- kwast een heel verhaal af te steken. ” Wist je dat als je het koud hebt dat je dan naakt in je slaapzak moet gaan liggen? ” Verrast door het absurde ” wist je datje” dat deze jongen onder het knisperende kampvuur uit zijn mond liet rollen, was haar interesse gewekt;

” Naakt?, in je slaapzak, in deze kou..” Ze begon hardop te lachen. ” Dat lijkt me niet..”

” Ja, zeker wel,” – ging hij verder- ” met je kleren aan slapen zorgt er juist voor dat je iets mist aan warmte wanneer je de volgende ochtend uit je slaapzak kruipt, en daar krijg je het juist koud van. ”

Ze begon nog harder te lachen. ” Oh!, Oh, nee, jij bent zo’n scoutingjongen- Jij hebt zeker scouting gedaan! ”

” Er is nog een tweede nadeel- ging hij onverstoorbaar verder:” Gedurende de dag is transpiratievocht in je sokken en ondergoed getrokken. Houd je deze kledingstukken tijdens het slapen aan, dan wordt een deel van je lichaamswarmte gebruikt om die vochtige kleren te drogen, in plaats van dat het jou verwarmt.”

Toen ze zijn serieuze blik zag begon ze nog harder te lachen.

” En nee, scouting was geen onderdeel van mijn opvoeding , ik houd gewoon van nutteloze weetjes. Die onthoud ik, het is misschien een handicap of gewoon handig, het is maar hoe je het bekijkt”, zei hij met een glimlachend gezicht.

Het viel haar op dat wanneer hij lachte er een kuiltje in zijn rechterwang verscheen. Hun ogen ontmoetten elkaar voor een langer moment. Ze leken even kennis te maken met elkaar. Ze glimlachten beiden, bijna op hetzelfde moment.

Hij keek omhoog. ” Het is een heldere nacht, kijk, de grote beer, zie je het? ” Ze had nooit eerder in een ijskoude nacht de behoefte gehad om naar de sterren te kijken, maar de Kwast had haar interesse gewekt en ze was nieuwsgierig wat dit moment haar nog meer zou brengen. ” Beer? Ik zie geen Beer”, zei ze wat onnozel . Hij lachte weer. Het was een fijne, warme lach. Even warm als de warmte die bij haar binnen kwam als hij haar aankeek. ” Nee, – ging hij verder- het sterrenbeeld heet zo, kijk je kunt het herkennen aan de vorm die het heeft, een steelpan”. Ze keek weer omhoog. ” O ja, ja, natuurlijk, ik zie het” – alhoewel ze van alles zag, maar geen steelpan. Ze keek veel liever naar hem dan naar de donkere lucht die verlicht werd door verschillende sterrenbeelden.

dubbelster (1)Hij ging verder met zijn sterrencollege. ” Mooi he, als je goed kijkt zie je zulke mooie dingen in het heelal. Wist je dat er sterren zijn die om elkaar heen draaien? Ze begon weer te lachen, ” O ja? En dat heb je geleerd op een cursus sterrenkunde? ” .  ” Dubbelsterren heten ze” , en hij ving haar blik, “sterren die om elkaar heen draaien, alsof ze even niet weten wat hun plek is, en wat ze met elkaar moeten.”
Het vuur in het knetterende hout werd kleiner, evenals de groep die om het vuur heen zat. Ze keek naar hem en in haar hoofd vormde heel voorzichtig woorden een gedachte: Misschien zou deze saaie kwast nog wel eens heel verrassend leuk kunnen zijn.

 

©wendyvanschaik 2016

 

 

 

 

 

 

 

Tik tak tik tak

Het gesprek van een gelukkig getrouwd stel in een drukke week..

Hij: hoi! – kus-

Zij: hey – kus –

Hij: En?

Zij: Druk, jij?

Hij: ja, nieuwe opdracht

Zij: Fijn, fijn… hey zeg, hoe….

Hij: Wat eten we

Zij: spaghetti

Hij: hmmm -smak/smak/smak-

Zij: -slok/wijn/slok/adem in/adem uit/ slokslok
-SCHRIK-
Heb je nou spaghetti in je haar?

Kind 1: Pruik!

Kind 2: WHAHAHA

Kind 3: PRRTTTT – schijt luier vol-

Zij: ….. (#$%#%)

Hij: Jij bad, verhaaltje, bed?

Zij: ok, jij doet de fles

Hij: Ze slapen?

Zij: protest op bed

Hij: Oh, vervelend

Zij: jaaaa..wil jij misschien…..

Hij: Ik moet weg

Zij: nu al?

Hij: Ja, bespreking.

Zij: half 9 toch

Hij: ja in zwolle… dat duurt even he..

Zij: ok…

Hij: tja

Zij: Laat thuis?

Hij: nee, nee, nee denk het niet, nee…. na ja

Zij: Ik snap het, sleutel?

Hij: Ja. benzine?

Zij: -zucht-knik-zucht- Doei! -kus-

Hij: Dag! -Kus-

…En zij staart hem na uit het raam en denkt: he?!? Dit hadden we toch heel anders bedacht in ons toekomstplaatje: -KLIKKLAK – foto…..
Ze loopt naar de kalender, pakt de pen en schrijft op het to do list op nr 1: TIJD, WE MAKEN DE TIJD
Voldaan pleurt ze de afwas in de gootsteen, flikkert een plaat op de platenspeler, schenkt een laatste glas wijn in, staart uit het raam om te mijmeren en neemt, pakt, grijpt de tijd:
Draai maar drukke wereld, dender maar, roep maar, race maar, ambieer maar, slurp maar… Nu rest er even niets meer dan stilte…..

-twiettwiet/vogeltje/twiet-

©Wendyvanschaik2014

De wind, de klok en het meisje

Het meisje waaide zoals altijd met alle winden mee.
Lopend op de wijzers van de klok die langzaam tikkend hun ronde deden. Hoewel niets haar kwam aanwaaien was de wind altijd haar vriend geweest.
In moeilijke tijden was hij het die haar een duwtje in de rug gaf.
Toch was er een tijd dat er niets was. Het was windstil.

Het meisje werd wakker op dezelfde tijd als de dagen daarvoor.
Ze wist niet wat de dag haar ging brengen maar daar maakte ze zich ook nooit druk over. Het leven komt zoals het komt en het gaat wanneer het wil.
Het meisje stond op en liep naar de badkamer om zich te wassen. Ze kamde haar haar, poetste haar tanden en trok haar kleren aan.
Ze bekeek zich in de spiegel, alhoewel ze liever haar spiegelbeeld ontweek. Ze vond het moeilijk om haar spiegelbeeld aan te kijken. Haar spiegelbeeld was woest, lelijk en gemeen. Ogen van afgunst waren het die haar terugkeken en die kwamen recht haar ziel binnen.
Snel,  maakte ze dat ze wegkwam. Ze trok haar jas aan en ging staan op de wijste wijzer van de klok, wachtend tot de wind haar voort zou duwen.
Ze zag de zon opkomen, en tegen het middaguur, toen de wijzer nog geen tik was versprongen op de klok, vroeg ze zich af of de wind nog wel zou verschijnen.

“ Hij laat nogal op zich wachten, is het niet?” zei de grote wijzer.
“ Dit is niets voor hem, normaal is hij altijd erg stipt” zei de kleine wijzer.
Het meisje antwoordde twijfelend: “ Misschien had hij vandaag belangrijkere zaken aan zijn hoofd.
“ Onzin!”, zei de grote wijzer, “wat kan er nu belangrijker zijn dan om jou op weg te helpen.”
“ Nee, we wachten nog even. We zullen zien dat er spoedig een briesje zal komen”
Ze zagen de zon opkomen, op haar toppunt schijnen en weer ondergaan.
Maar geen briesje, geen zuchtje, had het meisje gevoeld.
Toen de nacht was gevallen en de maan het van de zon had overgenomen, de sterren begonnen te twinkelen, besloot het meisje maar te gaan.
Ze nam afscheid van de wijzers en stapte van de klok af.
Net toen ze zich wilde omdraaien en naar binnen wilde lopen zag ze ineens in haar rechter ooghoek een blaadje spelend rond dwarrelen.
Ze voelde de verkoeling die ze altijd drukkend in haar rug had gevoeld en hoewel ze dat nooit aangenaam had gevonden was dit een moment die haar nieuwsgierig maakte en die anders was dan de vorige keren in haar ontmoeting met de wind.

“ Wind bent u dat? Wind ik heb de hele dag gestaan, maar ik ben niet vooruit gekomen. De tijd staat stil en ik weet niet wat ik moet doen” zei het meisje.
De wind verzuchtte: “ Kind het is tijd om zelf te lopen en te gaan.
Het meisje keek naar de weg naast de klok. Ze had er wel vaker naar gekeken maar nooit had ze de moed gehad zelf de stappen te zetten.
Wie wist wat er zou zijn als ze het pad zou aflopen, waar zou ze dan terechtkomen?

“ Loop het pad af” , klonk het, “ Loop het pad af” .
“ Nu?” zei het meisje, “maar het is donker en wie zal mij leiden als u mij niet duwt?”
De wind sprak: “ Ik heb je nooit geduwd, je hebt mij achter je gezet en bent zelf op de wijzers blijven staan. Je hebt je laten leiden door de klok”.
“ Kom, kom” , zei de grote wijzer, “ De tijd tikt, snelheid is geboden, ga, kom hier en ga!”
Het meisje begon langzaam te begrijpen dat het niet de wind was die haar voort had gedreven, maar de klok. Het was de klok die haar gevangen hield.
De wind sprak zacht:
“Ik ben de wind die je leidt op de momenten dat je zelf niet durft te vliegen” .
Op dat moment tilde de wind haar op en zette haar op het pad, voorzichtig en liefdevol. Het meisje tilde haar voet op en langzaam zette ze het puntje van haar teen op de aarde en na een enkel ogenblik, rustte haar voet op de plek van de stap die ze zelf had gezet. Een stap dat voor haar een eerste plek van vrijheid werd.
Niets had haar gedwongen, niets had haar verplicht en niemand wist hoe lang het had geduurd.
Niets van dat deed er toe:
Ze had alle tijd, want de tijd stond stil..

 ©Wendyvanschaik2015