Willen, dromen, verlangen

Weet je wat het is.
Het allerliefst wil ik wat de ander heeft.
Iemand schrijft mee aan een boek: dat wil ik ook.
Beter nog; iemand schrijft zelf een boek: dat wil ik ook.
Iemand spreekt in volle zalen: dat wil ook.
Leuker nog; iemand heeft een eigen theaterprogramma: dat wil ook.
Iemand studeert Theologie, iemand geeft cursussen, iemand organiseert events; ik ook, ik ook, ik ook.


Gretig scrol ik door mijn tijdlijn op Facebook en Instagram om al dat mooie leven van de ander te absorberen.Wat een leuk huis, wat een leuke man, wat een leuke kinderen, wat een leuke..

‘Mam! Kijk eens naar..’
‘SSt, ik ben bezig’.
Wat een leuk figuur, wat een leuke post, wat een leuke vrienden.

‘Mahaaam! Kijk eens naar mijn..’
‘Stil, nou even, je ziet toch dat ik bezig ben!’
Waarom vragen ze mij nooit om een boek te schrijven, waarom is mijn huis nooit opgeruimd, waarom heeft zij dat wel en ik niet.

‘MAMA!’
‘Ja, WAT is er nou!’
‘Heb ik gemaakt’
Ik scrol mijn blik over de tekening van mijn dochter.
Een man met een baard, een ietwat dikkige moeder, 4 kinderen op een rij. Een huis vol kleuren en een hond.
Op de hond na staat mijn leven op een wit a4.

‘Ja, je moest tekenen waar je gelukkig van wordt.’
‘Oh, word je niet gelukkig van een ipad, of heel veel kadootjes, of van wonen in een kasteel of uuh…’
‘Jawel, maar je moest doen waar je echt gelukkig van wordt, dus ik tekende dit.
’Ik kijk mijn 8-jarige dochter in haar donkerblauwe grote kijkers en haar gezicht spreekt een ‘dat is toch logisch’ uit.
Maar het gaat mijn logica voorbij.

‘Je wordt gelukkig van ons’
‘Ja’
‘Het aller gelukkigst’
‘Ja’
‘Echt’
‘Hoezo, is dit niet goed ofzo’
Ik schud beschamend mijn hoofd.
‘Dit’ , zeg ik terwijl ik de tekening voor mijn gezicht houd, ‘dit is heel goed. Beter is er niet’

Ik bekijk de tekening nog eens goed.
‘Mag ik het houden?
‘Mijn dochter haalt haar schouders op. ‘Ja hoor’
Ik hang het op het prikbord.


Er is niets mis met iets willen, met verlangen, met dromen.
Maar laat mijn wil zich ook verwonderen over wat er al is bereikt.
Laat mij leren verlangen in tevredenheid.
En laat mij dromen in de dankbare werkelijkheid die ik al bezit.


©wendyvanschaik2019

Op-staan

 Het is weer volbracht. Mijn bezoekje aan de sportschool.
Sinds een dik half jaar zoek ik mijn Zin in een zaal vol zwetende mensen. Ik maak mijn hoofd leeg en daardoor houd ik het hoofd koel. Bewegen geeft mij focus en leert mij het doel voor ogen te houden.
Want laat ik eerlijk zijn. Mijn stap naar de sportschool begon met een heel helder doel. Afvallen. Inmiddels was mijn BMI zo in de hoge, dat deze wel een paar toontjes lager mocht gaan zingen. Dat betekende anders eten, minder vooral en bewegen, daar dan weer wat meer van.
Na wat googelen kwam ik op een website terecht van een personal trainer. Dat leek me wel wat. Iemand waarmee je een afspraak maakt, die op je wacht. Haar zou ik niet laten zitten,  een afspraak met haar zou ik vaker nakomen dan een afspraak met mezelf in de sportschool.
Mijn personal trainer, bleek niet alleen een trainer voor mijn lijf, maar zeker ook voor mijn geest. Ze is eerlijk, direct en relaxed. Wat wat tegenstrijdig klinkt bij een personal trainer, maar wanneer ik me loop op te fokken wanneer ik even een pauze neem , omdat ik het gevoel heb dat ik aan een zuurstoftank moet, kijkt ze me gelaten aan en vraagt ze waarom ik mijn energie stop in het mezelf afkraken in plaats van in de volgende tien squats.
Ze is goed voor lichaam en geest.
De laatste training was er een van dertig minuten. Krachttraining deden we en iets verschrikkelijks op een hardloopband. Daarna rende ik 5 km op de crosstrainer. Nou mijn spieren hebben het wel weer gemerkt.
Bewegen is het probleem niet. Ik vind het heerlijk. Alleen eten ook. Eten troost, eten is makkelijk, en voor handen. Het is ook gewoon zo fijn:
Netflixen, met een dekentje, een kopje thee met koekjes en chocola en koekjes en chocola en koekjes en choco… oh op … uhm wat ligt er nog meer in de kast..
Aha, en snoepjes van de kinderen en koekjes, snoepje.. koek… totdat je kotsmisselijk de badkamer in rent, je tanden poetst, de make-up half van je smoel veegt en je als een tonnetje het bed in rolt. En terwijl je met een bolle buik in slaap dommelt, hoor je jezelf nog mompelen: dit doen we morgen niet meer, morgen wordt alles anders.

En verdikkeme, op die nieuwe dag, vind je jezelf weer met je fatsige lijf op de bank, met de restjes suikergoed van de vorige dag. Terwijl je veggiesnoepje nummer tien in je mond propt denk je: wat ben ik in hemelsnaam aan het doen. Alsof je uit je lichaam treedt zie je jezelf van een afstandje de snoepjes in slowmotion ,op de automatische piloot ,naar binnen proppen. Uitgezakt als een klodder pudding hangend op de bank. Je houdt van mooie vrouwelijke rondingen maar je walgt van dit beeld. Omdat je ziet dat het je niet smaakt, omdat je ziet dat dit voedsel betekenisloos is. Alsof je plastic zit weg te kanen. Eten is lekker. Van eten mag je heerlijk genieten, maar dit is geen genieten meer. 

Je sluit je ogen en je hoort de stem van je personal trainer zeggen dat ieder moment een kans is om opnieuw te beginnen, je hoort dat ze zegt; “je kan dit, kom op, rechtop , borst trots, je bent sterker dan je denkt”.
Je kijkt nog 1 keer naar jezelf, je ziet dat je eet om niet te hoeven voelen, om niet te hoeven denken, omdat eten troost en makkelijk is.
Je pakt jezelf bij de hand, kijkt jezelf in de ogen en je zegt: je kunt dit.
“Ik kan dit”.

Je staat op, loopt naar de keuken, flikkert de hele suikerbende in de prullenbak, je linkerhand houdt je rechterhand tegen om het er niet meer uit te graaien en je zegt tegen jezelf: “ en nu is het klaar , vandaag is het morgen en we beginnen opnieuw! We zijn gevallen, maar we staan weer op!”
Opstaan! Opstaan.
Hoe hard je ook valt, hoe moe je ook bent, hoeveel je ook voelt : opstaan.
Omdat je goed voor jezelf wilt zorgen. Omdat je weet dat je maar 1 lichaam, 1 ziel en 1 geest hebt. Omdat je eindelijk wilt leren om van jezelf te houden en vriendelijke woorden over jezelf wilt spreken. Omdat je weet dat jezelf volproppen een afweermechanisme is, een oud patroon, die de achtbaan van emoties alleen maar heftiger maakt. Eten moet jou dienen en jij dient niet het eten.
Dus al val je meer dan duizenden keren keihard op de grond:
Haal diep adem, sta op, borst trots en gaan.
Je bent sterker dan je denkt.
 ©wendyvanschaik2018

Mijn zusje

“ Het komt wel goed”.
Deze zin is de lijfspreuk van mijn zusje.
Al staat de wereld in brand, al blijf de regen uit de hemel vallen,  al stort alles van ellende in elkaar: “ Het komt wel goed” .
Niet dat ze er altijd zelf in heeft geloofd. Althans vroeger niet, niet voor zichzelf. Ze zei het ook niet uit optimisme of om zichzelf beter te laten voelen, nee, ze zei het om de ander gerust te stellen, om de ander tot dienst te zijn.

Knuffel
Mijn zusje had vroeger een grote knuffel. Jaren is de knuffel groter geweest dan dat ze zelf was. Ze sleurde het beest aan zijn oor overal mee naartoe. Het was een witte knuffel, die steeds viezer werd.
Maar hoe viezer de knuffel, hoe meer ze er van ging houden. De knuffel week niet van haar zijde. Ze zorgde ervoor, bleef er trouw aan. Hoeveel nieuwe knuffels of poppen er ook voorbij kwamen op verjaardagen, sinterklaasfeestjes of verwennerijdagen, zusje wilde maar 1 knuffelvriend.
Het liefst zat ze ermee op de bank, met haar knieën opgetrokken en haar duim in de mond. Van een afstand bekeek ze dan aandachtig de rest van het gezin. Als oudste merkte ik haar niet veel op. Er zaten toch wat jaren tussen ons en toen zij nog volop Sesamstraat keek was ik al met hele andere dingen bezig.

Een baby
Behalve de knuffel herinner ik me niet zoveel van mijn zusje. De herinneringen komen tot leven als ik denk aan het moment dat ze vertelde aan de keukentafel dat ze zwanger was. Ze was 18. Het was niet gepland. Een ongelukje zouden we zeggen. Maar dit wilde ze niet horen. Ongelukjes bestaan niet. Ieder kind is welkom en helemaal het mijne. Tussen de tranen en de schrik door was ze vastberaden. “ Het komt wel goed” . Ze zou voor dit kind zorgen, wat er ook voor moest wijken. “ Het komt wel goed” , zei ze tegen ons. Terwijl wij, als gezin, van de schrik aan het bekomen waren. De knuffel die ze als kind had, had plaats gemaakt voor iets veel kostbaarders. Iets wat uit een verbroken relatie tot leven was gekomen: een zoon. Haar zoon. Haar zoon werd in liefde ontvangen. Door het hele gezin, maar het meest door haar. Zusje werd een geweldige moeder. Ze ging overal met zoonlief naar toe. Ze nam haar verantwoordelijkheid, werd een jonge werkende moeder, probeerde de relatie met de vader te redden- totdat ze er bijna aan onderdoor ging- en net op tijd nam ze er afstand van. Ze nam onwijs moeilijke beslissingen met altijd het oog op de ander: “ wat is goed voor hen, waarmee maak ik hen blij”. Ze ontmoette een lieve man, die haar zoon aannam als de zijne. Hij was nu de vader en na een huwelijk, en twee prachtige kinderen later was het gezin van vijf compleet.
“ Het komt wel goed” .

Zorgen tot je er bij neer valt
Zusje bleef zorgen, voor iedereen. Ook voor mij. Tijdens mijn burn-out was zij 1 van mijn reddende engelen. Ze heeft mijn kinderen opgevangen alsof het die van haar waren. “ Zusje, wil je ..” en ze stond op de stoep.
Soms plotseling, omdat ze voelde dat het even niet goed ging met mij. Maar ik wist dat het wel goed zou komen, omdat zij dat had gezegd. In het midden van de nacht, op haar werk, tijdens haar vrije dag; ze was er altijd. Mijn kinderen zijn dol op haar.
Geven, onbaatzuchtig geven. Ik ken weinig mensen die dat kunnen. Maar zij kan het.
Als een boom volop in bloei, die maar vrucht bleef dragen en geven.

En toch..

Haar takken werden kaal.
De boom had zoveel vrucht gegeven, alleen geen water ontvangen. De wortels waren verdord. Ze was op, leeg.
Ze had zoveel gegeven, dat ze moe was. Haar reserves waren op.
Mensen , ook wij als gezin, waren vergeten haar tank bij te vullen en zelf zou ze er nooit om vragen.

“ Het komt wel goed, echt”
“ Komt goed”
“ Het komt….maar ik weet even niet wanneer”

Ze kon het niet meer zeggen. Omdat ze ons niet meer kon vertellen dat het goed zou komen. Ze had zoveel meegemaakt, dat ze de toekomst alleen nog maar als hopeloos kon zien.
Ze had het nu zelf nodig dat haar dat verteld zou worden.
” Het komt goed, zusje, echt, het komt goed hoor”.

Met open lege handen
Het was hartverscheurend om haar zo te zien.
Alsof ze met haar knieën opgetrokken op de bank zat met haar oude vieze knuffel onder haar arm. Mijn grote zusje was weer klein geworden. Ze had zoveel gezorgd, als kind al, dat ze niets meer kon.

Zusje moest met open, lege handen leren ontvangen. Ze mocht leren dat er ook voor haar gezorgd kan worden. Dat soms alles niet goed komt. Dat er dan verdriet is, rouw en pijn. Maar dat uit de tranen ook weer iets moois kan groeien. Misschien anders dan we zelf wilden of eerst dachten, maar uiteindelijk is er toch altijd de hoop.

Er zijn heel wat tranen gevallen. Over vroeger, iets later, het heden en over hoe het dan straks zal gaan. Tranen, pijn, woede, weemoed, angst, verlangen naar eeuwige stilte; ze ging door alles heen; maar ze vocht als een leeuwin. Want ze wist waarvoor ze het deed: voor haar drie kinderen en haar man: jazeker. Maar ook voor zichzelf. Eindelijk ging ze zien wie ze was en wat ze waard was. En ze zei eindelijk tegen zichzelf, en voor zichzelf en zichzelf alleen: “ Het komt goed” . En dat gebeurde: Ze stond op, met niets en daarom met alles, met open handen en ging leven. Ze ging hardlopen om haar hoofd leeg te maken en helder te krijgen wat zij wilde. Ze ging anders eten om goed voor haar lijf te zorgen en verloor 34 kilo, ze ging leuke dingen doen voor zichzelf om op te laden.

Held
Ik zag haar niet meer als dat kleine stille zusje dat niets zei, alleen maar observeerde en als een sloof alles voor iedereen deed. Ze werd mijn held.
Er kwam een prachtig sterke vrouw tevoorschijn. Een vrouw met ballen, een vrouw met doorzettingsvermogen, met vastberadenheid, met een enorm hart voor anderen, met strijdlust, met een dosis humor, een prachtige mooie vrouw die wist: ik kan onbaatzuchtig geven wanneer mijn wortels geworteld zijn in de juiste vruchtbare aarde en ik mijn dorst op tijd les. Een boom volop in bloei, met haar wortels sterk in de nuchtere Drentse aarde, met een blik vooruit.
Een blik die op zichzelf maar ook nog steeds op de ander gericht was. En niet alleen op de kleine kring mensen om haar heen. Maar verder dan dat.

Hoop brengen
Zoals ze als kind steeds meer van haar knuffel ging houden, ondanks dat hij steeds viezer werd, zoals ze vocht om een relatie die niet werkte toch eerst staande probeerde te houden,  zoals ze vocht voor mij, door me te ondersteunen met de opvang van mijn kinderen toen ik een burn-out had, zoals ze vocht voor zichzelf toen zij in het meest donkere van haar leven was, zoals ze vecht voor haar kinderen om hen te helpen in hun ontwikkeling naar gezonde volwassenen , zo wil zij vechten voor mensen die als geen ander weten hoe het is om in het duister te zitten.

Ze wil vechten door te lopen, hard te lopen, 42 km haar longen uit haar lijf te lopen in Indonesie.
Haar blik is gericht op rechtvaardigheid voor mensen die leven in een onrechtvaardige wereld. Strijden tegen het onrecht waar vooral kinderen bijzonder kwetsbaar zijn. Kinderen het slachtoffer zijn omdat er niet voor ze gezorgd wordt, waardoor er veel kinderen op straat belanden en het gevaar lopen om in de seksindustrie terecht te komen. Ze wil vechten, omdat ze weet dat het het gevecht waard is. En onbaatzuchtig geven omdat ze hoop wil brengen. Omdat ze wil neerknielen bij deze kinderen, hun in de ogen wil aankijken en wil zeggen, hoe hopeloos alles ook is,  in de verwoestende omstandigheden:

“ Het komt goed..echt ..je moet blijven geloven het komt goed” .

©wendyvanschaik2018

Voor meer informatie of wil je mijn zusje sponseren:

https://www.muskathlon.com/nl-nl/deelnemers/1847/mirjam-hofstede-.html

Kerst bij oma

Kerst was voor mij, als kind, altijd logeren bij opa en oma.
Zingen bij de kerstboom van de herdertjes die bij nachte lagen, en hoe het kindje krijste in de kou. Terwijl ik staarde naar het kindje in de kerststal, die onmisbaar was in mijn oma’s huis, zei ik: ” Doe dat kindje dan een dekentje over.”
“Nou, stro, hooi, kan ook best lekker warm wezen” , zei mijn oma dan; “vroeger op de boerderij lagen wij als kinderen altijd in het hooi te spelen, heerlijk, lekker warm.
Later als volwassene ook wel, maar daar kwamen dan weer andere dingen van.”

Voor mij als kind was het meest wonderlijke aan kerst waarom iedereen het zo’ n wonder
vond dat Maria zwanger was.
Kwam de ooievaar ook niet gewoon bij haar langs?
Later begreep ik dat God het kindje aan Maria had gegeven en dat het verhaal van de
ooievaar een verzinsel was, dat de kerstman met zijn elven niet bij het kerstverhaal horen en dat rendieren met rode neuzen niet bestaan. Tja, ze konden mij van alles wijs maken.

Jaar in jaar uit kwamen we bij mijn oma:
Warme peertjes, zelfgemaakt appelmoes, rollade en aardappelkroketjes..waar je dan net te
gulzig een hap van nam en je mond vervolgens in brand stond door de gloeiend hete
aardappelpuree die uit het krokante korstje barstte. De volwassenen zaten aan de grote tafel en de kleinkinderen aan de tafel in de woonkamer. Wij als kleinkinderen vonden dat echt niet eerlijk.
“Nou, vroeger, vroeger” , zei opa dan, “vroeger zat ik soms onder de tafel, en praten?
Dat deden we al helemaal niet, het getik van een vork was het enige wat klonk.”
Onder de indruk van opa s verhaal vouwde we dankbaar onze handen terwijl hij murmelend
een gebed uitsprak, waarvan ik het laatste gedeelte nog steeds niet weet.

In de hoek van de kamer stond het orgel
Parmantig ging mijn oma achter het orgel zitten, terwijl opa zuchtend en hoofdschuddend
een sigaar opstak.
“Vindt ze leuk”, zei hij dan en terwijl de eerste toetsen werden aangeslagen, onderging mijn opa gedwee het Komt allen tezamen….
Het vuur knetterde in de haard en wij lagen heerlijk naar het vuur te staren.
Je hoopte dat het : “kom kinderen naar bed” nog lang zou duren..
Maar je kwam er niet onderuit.
Oma bracht ons dan naar bed.

“Oma, denkt u dat het kindje Jezus ook een verhaaltje voor het slapengaan kreeg? En deed
Hij echt nooit iets fout? Zelfs geen koekje stiekem uit de trommel pakken?”
Oma vertelde dan, zoals oma dat alleen kon:
“Jezus wilde een licht zijn voor alle mensen. En zo moeten wij dat ook zijn..
Daarom is kerst het lichtjesfeest: Omdat God ons Zijn mooiste licht cadeau deed.”
Daarna stak mijn oma haar lijflied af:

“Jezus zegt dat Hij hier van ons verwacht dat wij zijn als kaarsjes brandend in de nacht
En Hij zegt dat ieder tot Zijn ere schijn, jij in jouw klein hoekje en ik in mijn”

Jaar in jaar uit was het met kerst vaste prik.
Eerst altijd met opa.
Totdat oma vertelde met kerst dat opa nu, als engel, het komt allen tezamen uit volle borst
in de hemel aan het zingen is.
Na het kerstverhaal, lekker warm toegedekt onder een donzen deken heb ik de halve nacht
naar de heldere donkerblauwe lucht liggen staren om een glimp van mijn opa in
engelenkostuum op te vangen…

Het was vorig jaar dat het kindje Jezus ineens niet meer in de kerststal stond.
Oma was een beetje in de war.
Ze woonde nog zelfstandig omdat ze weigerde naar een bejaardentehuis te gaan.
De kerstboom was opgetuigd en oma had de maaltijd bereid: warme chocolademelk met bitterballen. Hoewel de combinatie vreemd in de oren klinkt, was de geïmproviseerde maaltijd van mijn oma best te eten.
“Waar heb ik dat kind toch neergelegd ” , zei ze.
“Wat oma, wat zoek je..”
“Jezus, ik kan Hem nergens vinden. Hij lag altijd hier, bij Jozef en Maria, maar nu is Hij weg”
“Nou oma, Hij is vast niet weggelopen”
“Of ten hemel opgevaren”, grapte mijn broer.
“ Over Jezus geen grapjes”, zei mijn oma dan. Ze was nogal aan het kindje klein gehecht.
De rest van die kerstdag verliep onrustig.
In plaats van mijn oma liep ik maar een beetje op het orgel te pingelen.
De kerstkransen, de chocolaatjes, de kerstfilm, de andere tradities die we in al die jaren
hadden opgebouwd, niets deed er voor oma toe.
Ze moest en zou dat kindje in die kribbe vinden.

Terwijl wij, tijdens het ophalen van oude herinneringen, de tafel aan het afruimen waren,
kwam oma euforisch op haar sloffen, bijna huppelend de kamer binnen stormen.
“Het kind, het kind, het lag gewoon onderin de doos, te verstoffen, het kind is gekomen.”
Als een stel wijzen liepen wij achter onze stralende oma aan.
Ze plaatste het kindje in de kribbe temidden van Jozef en Maria,
“Ja” , zei ze, “dit is toch kerst, gewoon met Jezus.”
“Ja oma, gewoon kerst, met Jezus.”
En zo zaten we in die stille nacht, de laatste kerstavond met oma, geknield bij de kribbe.

©wendyvanschaik2017

Ik maak wel plaats…

De K3 muziek knalde door de ruimte: 10.000 luchtballonnen kleuren de horizon.
En in de gekleurde horizon stond mijn vierjarige dochter het ritme uit haar lijfje te schudden.
“ Kijk mama, kijk!” . Van links naar rechts danste ze vol passie de discovloer over in een van de attractie-hoeken van Plopsaland.
Na 1,5 uur in het park te hebben rondgelopen was ze eindelijk geaard en durfde ze wat meer uit haar schulp te kruipen.

In het discohoekje was het rustig, op een breakdancend jongetje van 2 na, maar dat was haar broertje; een welkome danspartner.
Mijn kleine danseres zwierde en zwaaide en maakte de meest uitzonderlijke dansbewegingen, waar menig regisseur een slomo van zou hebben gewild.

De danscarrière van mijn dochter was van korte duur.
Er stapte een kekke moeder in een kek kort jurkje de dansvloer op, met een minstens net zo kekke dochter in een toffe jumpsuit. Zo een van spijkerstof, met daaronder zwarte gympen met van die lichtjes aan de zijkant. Waarvan mijn dochterlief in de winkel nog zei: “ mama, die wil ik ook” , maar die ik dan te duur vond. Ik had er gelijk spijt van dat ik deze niet voor haar had gekocht en ze nu op bruine laarsjes liep met verantwoorde zolen, die nog zo lekker buigzaam zijn voor de voet in ontwikkeling.

Twee grote blauwe ogen keken me aan, haar vingers verdwenen in haar mond terwijl haar hoofd langzaam van een hoge status na een lage zakte.
De kekke moeder hupte lekker van d’r ene op d’r andere been, haar borsten die zo goed uitkwamen in haar laag uitgesneden jurkje deden ook vrolijk mee, evenals haar dochter , die slide van de ene naar de andere kant.
Mijn ballerina had haar biezen gepakt en slofte de dansvloer af. Alsof de jury niet voor haar had gekozen, maar de jumpsuit met vlag en wimpel door hadden laten gaan naar de volgende ronde, waarvan een grappende Waylon dan zou zeggen, “ en doe je moeder maar bij mij” .

Ik pakte het klamme, natte handje van mijn dochter uit haar mond en zei: ”Kom, we gaan ook weer lekker dansen!” . Mijn theezakjes stonden dan niet meer zo pront naar voren, maar schudden kon ik wel en ik stortte mezelf alvast op de dansvloer, ik was klaar voor the battle.
Terwijl ik stond te shaken van links naar rechts, bleef dochterlief stokstijf staan.
“ Mama, we gaan” .
De kekke moeder glimlachte “ doei!” en heel even had ik zin om haar te laten struikelen, airbag genoeg, dus waarschijnlijk zou ze gewoon weer terugveren.
” Doe niet zo dom”  zei ik nog even tegen mezelf en ik schaamde me voor mijn wraakgedachten, ” die moeder doet niets fout met haar decolleté, uuh dochter” .

Hand in hand liepen we naar de andere attracties, met achter ons aan rennend een peuter van twee. Shit, die was er inderdaad ook nog. Onder de indruk van het kekke koppel, moest zelfs mijn zoontje het onderspit delven.

“ Hey ballerina, waarom stopte je nou met dansen?”

“ Er was een ander meisje”

“ En toen?”

“ Toen durfde ik niet meer, dan ben ik verlegen”

“ Verlegen?”

“ Zij kan dansen en is mooi”

“ En jij dan snoes?”

“ Dan kan ik het niet”

En ineens dacht ik.. ach meisje.. je hebt iets naars van je moeder geërfd.
Mijn ballerina maakte plaats omdat ze dacht dat ze niet goed genoeg was, of de ander beter.
Door de imposante, zelfverzekerde houding van iemand anders, pakte zij maar haar biezen.

Het is het meest frustrerende thema in mijn leven. Een thema die ik niet wil hebben en die veel stuk maakt. Door mijn onzekerheid heb ik verkeerde keuzes gemaakt omdat ik dacht dat ik dan gewaardeerd zou worden. Door mijn onzekerheid heb ik dingen niet gedaan omdat ik niet durfde, of omdat ik niet zeker wist of ik het wel kon, of dat er een ander was die het ook al deed, dus dan ik maar niet.
Door mijn onzekerheid was ik bang van wat mensen van me zouden denken. En als ze goed over me dachten, dacht ik dat dat toch niet zo was.
Door mijn onzekerheid, was jaloezie een valkuil, achterdocht mijn tweede naam en kon ik moeilijk tevreden zijn. Onzekerheid is moeilijk en lastig omdat het een leger van leugens is, die je laten geloven dat je niets kunt of bent. Bijna dacht ik, dat ik niet ok was en dat ik het niet waard ben om te zijn in het hier en nu.

Ik ben 35. En nu, nu durf ik pas te zeggen over mezelf dat ik ok ben, dat ik er mag zijn, dat dat wat ik doe goed is, dat ik me niet afhankelijk hoef te maken van het oordeel van een ander. Dat wat een ander zegt geen waarheid hoeft te zijn, dat dat wat ik soms denk over mezelf en daardoor soms ook over de ander ook geen waarheid hoeft te zijn. En dat ik mag denken, dat ik het best wel kan of zoals Pipi Langkous zo mooi zegt:

“Ik heb het nog nooit gedaan, dus ik denk dat ik het wel kan”

Nu pas durf ik te zeggen: “ He, ik ben ok” . Hardop, tegen mijzelf.
En ik leer mezelf dat te geloven. Dat ik met mijn voeten op deze aarde mag staan, mijn plekje in mag nemen, mag ademen van de lucht die ons wordt gegeven, dat ik lief mag hebben, mag putten uit de bron, dat ik mag bestaan, dat ik er mag zijn.

Ik kniel bij mijn dochter neer:
“ He, mooie ballerina, je bent prachtig, weet je dat?”
Twee blauwe ogen kijken me aan en ik streel haar blonde haar voor haar ogen weg.
“ Ik zou het fijn vinden om nog even met je te dansen, samen, jij en ik”
“ Ok, mama, dat wil ik wel”

Ik breng haar broertje bij d’r vader en we lopen naar de discohoek en zien de kekke moeder en dochter nog steeds uit hun dak gaan.
Voordat we de dansvloer opstappen staan we allebei even stil en kijken we elkaar aan.
“ Samen he, mama”
“ Samen hoor, kleine ballerina” .

De kekke moeder lacht.
Ik lach terug.

“ 10.000 luchtballonnen kleuren de horizon”
En in de gekleurde horizon sta ik, samen met mijn vierjarige dochter en we schudden het ritme uit ons lijf.

 

©wendyvanschaik2017

Ontroesten

 

Opeens sta je stil,
En het leven om je heen gaat gewoon door.
Je wilt wel door leven, maar het lukt je niet.
Je zit vast.
Vastgeroest.
Je kunt geen kant op.
Gevangen in het duister is de tijd je vijand.
Het lachen is je vergaan.
Je zit vast in het web dat je zelf hebt gesponnen, in dat wat je doet, wat je hebt, of wat je van jezelf moet zijn.
Maar nu is er niets dan leegte.

Heer geef me dan Uw Licht
Dat ik U zie
Ik mij op u richt
Het duister voelt zo koud en kil
U warmte dat is wat ik wil

Het gevoel hebben dat je geen kant op kunt.
De ruimte om je heen voelt klein en benauwd je.
Eigenlijk heb je alles om gelukkig te zijn: een lieve man, prachtige kinderen, een huis, geld om eten, drinken, kleding en snuisterijen te kopen, een leuke baan. Je leven is goed, je leven is mooi en je leeft je leven in een land waar geen oorlog is.

En toch, toch voel je je zwart van binnen. Je ogen voelen zwaar, je hoofd zit vol, het liefst zou je je willen verstoppen.
De woede raast als een ongetemd wild beest door je lijf, en hoewel je dit probeert te onderdrukken komt het naar buiten door de extra laag onder de zinnen die je uitspreekt. Te kortaf tegen je kinderen en je man. Je zegt te vaak woorden die je kinderen niet mogen horen en wanneer een zonnestraal jouw huid een goedemorgen kust, voelt het ijskoud aan, alsof iemand een glas koud water in je gezicht gooit.
Je wilt geen licht. Je wilt in je bed blijven. De dag voelt te zwaar, te vermoeiend.

Deze gedachten, deze gevoelens maken dat je heel erg boos wordt op jezelf. Genadeloos hard. “Stom wijf, waardeloos mens, rotwijf, kijk nou wat je hebt, doe normaal, kom je bed uit lui varken, wees eens een goede moeder, doe eens leuk, doe eens lief, doe eens normaal!”
Normaal doen. Normaal doen is je verlangen. Je wilt niets liever dan dat. Maar het lukt je niet.

Je sleept jezelf uit bed naar de badkamer toe. Je gooit ijskoud water in je gezicht en haalt diep adem terwijl je je beste gezicht opzet en de dag begint.
Je lacht, je verzorgt, je kust, je werkt, je speelt, je lacht nog iets meer, je kust, je kookt, je verzorgt nog iets meer, je lees verhaaltjes, bidt dromen toe, je vrijt, je werkt, je wast en tot slot val je doodmoe neer.

Tussen al deze handelingen die je de dag door gesleept hebben, voelt het alsof  je 1000 keien hebt moet meeslepen. Je ben doodmoe. Je hoofd is vol, maar tegelijk leeg. De wereld om je heen draait door en het is alsof je in het midden stilstaat en je er zelf eigenlijk niet bent.
Je weet dat je door moet gaan. Alles uit je handen laten vallen kan niet en je wilt het ook niet: te veel klussen, te veel beloftes, te veel waardering die je anders moet missen, maar je bent zo moe.

De verleiding om je over te geven aan eeuwige stilte is groot, maar de liefde voor het leven is vele malen groter. Je schaamt je dat je deze gedachten hebt.
Je hoort het in de woorden die de mensen spreken :wees eens dankbaar, kijk wat je hebt. Je ziet het wel, heus wel en je bent ook dankbaar. Het is geen ondankbaarheid wat je overvalt. Het is geen rol waar je induikt. Was dat maar zo, dan had je met gemak dit personage van je afgeschud en was je uit deze zwarte komedie gestapt.

Maar je begrijpt ook dat mensen om je heen dit niet kunnen rijmen, laat staan begrijpen. Want wie je nu bent staat in contrast met hoe mensen je kennen: een mens dat lacht, geniet, doet, grapt en grolt.
Hoewel je een en dezelfde bent huilt er nu een kind dat zo moe is, zo ontzettend moe van het willen zijn en daarom maar doen.
Je bent bang dat mensen denken dat je gek bent. Maar het is geen gekte, geen waanzin, geen personage uit het eerste bedrijf van een of andere Griekse tragedie.
Je bent op.
Leeg.
Je kunt niet meer.
Je wilt alleen maar zijn.
Gedragen worden en niets meer hoeven.

Maar niets doen is geen optie. Omdat doen maakt dat je opstaat iedere ochtend.
Dus je omarmt dat wat je het meest hekelt:
Je donkere denken en je hoopt dat ooit diep van binnen het licht het van het duister wint. Zodat je kracht vindt om los te laten, zodat je niet langer vastgeroest zit aan het negatieve denken, de jaloezie, de onzekerheid, de neerslachtigheid.
Je troost het vermoeide kind diep in je, wat moet vechten tegen de grote boze opstandige ik, die vaak heeft moeten opstaan in het verleden, en je hoopt dat zij een keer blijft zitten, het bijltje erbij neerlegt en dat het kind ontroest en in beweging komt en leert sterk te zijn in een wereld waarin soms te veel gebeurd om te verwerken.

En je hoopt dat je heus wel weet dat je niet voor altijd in het donker blijft.
Dat het donker je soms overvalt, maar dat er altijd licht binnenkomt.
Dat dat licht je de weg wijst.
Dat  licht is je hoop.

Omarm me in mijn leegte
Geef me vrede
Geest beweeg
Geef me rust
Verwarm me in deze kilte

 

 

©wendyvanschaik2017

Verwend nest

Zit ik hier met voor mijn neus een dikke tosti met kaas en ananas,
een beker karnemelk en een appel.
Want ja 2 ons groente en 2 stuks fruit; dus dan heb ik er alvast maar een deel van gehad.
Wil ik een hap nemen: bah, haar in mijn tosti.
Ik schuif mijn bord aan de kant.
Ik pak mijn appel, neem een hap: gatver.
Het lukt me niet om door deze zure appel heen te bijten.
Snel neem ik een slok om de smaak te laten verdwijnen:
Kloeten in mijn karnemelk.
Is er dan niets normaals te eten hier?
Gefrustreerd plof ik op de bank, pak de afstandbediening zet de tv aan.
Het nieuws.
Zap
Talkshow
Zap
Reclame
Zap
Dan maar het nieuws.
Slik.
Ik zie jou:
Holle ogen, hongerige blik.
Verdoofd, uitgedroogd.
Huilend zonder tranen.
Jij hebt niets, ik heb alles.

Ik vis mijn tosti, mijn appel en het pak karnemelk uit de prullenbak.
Zeikwijf, zeg ik tegen mijzelf.
Verwend nest.
Eet op.
Ik krijg geen hap door mijn keel
Niet om het eten
Maar om jou, heel veel om jou.
En om mij een beetje.
Hoe ben ik zo  geworden.
Ik geef geld.
Aan jou.
Om van mijn schuldgevoel af te zijn.
Geef ik geld aan jou en aan de rest.
Zo.
Klaar.
Dan is het morgen.
En ik klaag..
alweer..
Bah, ik verwend nest.

©wendyvanschaik2017

Dobberen

Mijn hoofd zit vaak vol ideeën. Dat is fijn. Het brengt me dat ik vanuit mijn hoofd iets uit mijn handen kan laten komen; ik maak en doe graag dingen.
Helaas blijft het vaak bij 1001 brainwaves. Simpelweg omdat ik vier prachtige jonge kinderen heb, een lieve man die fulltime werkt en ik de rest van de tijd een eigen bedrijf draaiende probeer te houden.
Een tijdje geleden vond ik mijn dagelijkse bezigheden niet meer leuk. Ik wilde mijn nieuwe gedachten handen en voeten geven. Actie ondernemen en snel ook, voordat een ander met mijn briljante idee aan de haal ging.
Dat laatste gebeurde ook. Een voor een zag ik een ander mijn ideeën verwezenlijken.
Zo, dat is echt frustrerend. Ik was niet jaloers, nou ja een beetje dan. Ik ging me afvragen waarom ik dan dat idee in mijn hoofd kreeg, terwijl het waarschijnlijk aan een ander was om het te zaaien en te oogsten.
De tijd is mij aan het irriteren. Het gaat of te langzaam, of te snel en ik ben te ongeduldig.

Mijn man heeft daar minder last van:
” Wacht nou maar, als alle kinderen naar school gaan, als de kinderen ouder zijn, dan gaan wij samen een voorstelling maken, of een boek schrijven, of gewoon eens even lekker uitrusten van al die tropenjaren die we gehad hebben” .
Geduld. Hij heeft geduld. In alles.  Als de kinderen ruzie maken, als de rij te lang is , als ik wanhopig gefrustreerd ben, dan heeft hij geduld.
Hij kan opdrachten weigeren. Als er een geweldige aanvraag binnen komt voor zijn Zandschepper kunsten, waarvan ik zeg: ” Ja doen! “,  dan is hij de mail al aan het typen dat hij het helaas te druk heeft.
Ik snap dat niet. Waar mogelijkheden zijn wil ik ze benutten.
Misschien ben ik daarom ook wel de doener en hij de denker.
Hij is voorzichtig, bedachtzaam, een realist met een vleugje pessimisme, hij dobbert graag op kalme wateren. Ik ga op weg en zie wel waar ik uit kom; ik wil ontdekken, ga over woeste wateren en als het fout gaat komt er altijd wel weer een moment waarop het goed zal gaan; inderdaad een optimist .
Opposites attracts zeggen ze. Ja dat is bij ons zeker wel zo, maar pas als we eerst eens even een flinke ruzie hebben gehad. Nou ja, ik ruzie en hij is stil.

Na zo’n ruzie kom ik graag even bij mijn man in het bootje zitten dat voert over de rustige wateren die hij nodig heeft in zijn leven.
Want ook al houd ik van een storm waarin ik op scherp word gezet, na een dobber-sessie met manlief merk ik wel dat vanuit die rust en kalmte er overzicht ontstaat. Kaders waarbinnen ik mijn spinsels richting kan geven en kan kijken wat er echt belangrijk is in het hier en nu.
Op zo’n moment weet ik waarom mijn man, mijn man is: om te laten zien wat ik niet zag, om mij te laten ontdekken dat haast zelden goed is en dat alles komt op het juiste tijdstip. Dat we nu genieten van wat we hebben en dat dat meer dan genoeg is.

We hebben lang in dat bootje gezeten.
Ik had even tijd nodig om weer op vaste grond te komen en te beseffen dat ik niet alles kan doen wat ik wil. Om tot de ontdekking te komen dat ik het lastig vind om soms dingen aan me voorbij te laten gaan omdat ik moeder ben en dat daardoor het moederschap me soms frustreert omdat het mij dan belemmert in het werken aan iets wat ik graag doe..  Om daar even verdrietig over te zijn: dat ik dat een verschrikkelijke ontdekking vind, omdat ik mij schaam dat ik soms mijn werk boven mijn kinderen stel. Terwijl ik zielsveel van alle vier mijn schatten houd.
Ik ontdekte dat als ik zweeg in plaats van gelijk te knallen, dat manlief dan de stilte verbreekt en hij mij mee kan nemen op een weg van rust en geduld en dat dat goed is. Dat hij aanvult waar ik tekort kom in onze relatie, in de opvoeding en andersom. Dat we ieder moment, in volle bewustzijn in ons opnemen omdat vandaag gisteren is voordat we het beseffen.
Dat uiteindelijk voor ons , het samen zijn met zijn zessen, zoveel meer brengt, meer dankbaarheid, meer geluk, meer liefde,  dan een idee wat even in mijn gedachten naar boven komt, maar net zo vluchtig als wolkjes weer voorbij kan gaan.  Dat geduld een schone zaak is en dat genoeg, genoeg is.

Veel van mijn ideeën zullen dus nooit uitgevoerd worden- of juist wel, maar niet door mij. Dat te weten is lastig, maar dat is dan ook alles wat het is.
Een van de ideeën was om een blog op te zetten waarin ik wekelijks mijn ontdekkingen in de zoektocht naar de zin van het leven zou plaatsen.  Dit is niet haalbaar en dus heb ik besloten te snoeien en de 2 blogs samen te voegen.
Dus lieve volgers, mochten jullie me willen blijven volgen, dan raad ik jullie van harte aan om op De Zinzoeker op het knopje “volg” te klikken .

Mijn man is het anker alweer aan het binnenhalen. Ik stap snel bij hem in het bootje om eens lekker tot rust te komen, samen te mijmeren over wat als, dan toch, en over later, of  om te staren naar het water en gewoon eens even te zijn; niets meer en niets minder samen te zijn.

“Rivers know this: there is no hurry. We shall get there some day.”
 -A A Milne-, Winnie the Pooh-

 

 

©wendyvanschaik2017

Ik, verdorven Hipsterchristen

Lauw.
Niet heet.
Niet in vuur en vlam.
Geen volle, vurige Christen.
Daarnaast trek ik muren op en sta ik mijn eigen Christelijke groei in de weg.

Bovenstaande zijn een aantal woorden die ik gisteren over mij uitgegoten kreeg.
Ik was compleet van slag. Niet van verdriet, maar van woede.
Alhoewel ik wel een traantje heb gelaten: de woede moet er toch op de een of andere manier uit.

Misschien was het mijn eigen fout.
Ik zeg wat ik denk en wat ik voel. Bam, het ligt zo op straat, of in dit geval op Facebook.
Mijn moeder zei vroeger al tegen me dat ik niet altijd het achterste van mijn tong moet laten zien.

Dat wilde ik ook niet. Heus niet. Toen ik de opmerking in kwestie las heb ik heel lang gewacht om een reactie te geven. Sterker nog, ik ging in hevige discussie met mijzelf. Mijn veilige onzekere ik begon met het afsteken van argumenten,
” Nee, nee, je doet het niet. Laat mensen denken wat ze willen denken. Bewaar nu maar de lieve vrede en houd je in. Bovendien, iedereen kan meelezen. Wat zouden deze mensen wel niet van je denken. Afgelopen zondag stond je nog in een kerkdienst op een podium je theatraal uit te leven. Houd je mond, denk na en houd je mond.”  

Helaas is mijn recalcitrante ik meestal sterker. Ze wil zich niet bewust afzetten tegen de regels, maar het is nu eenmaal zo dat zij de dingen soms echt anders ziet; Ze schopt misschien soms tegen heilige huisjes aan,  maar wel met een groot gevoel voor liefde en vrede. Ze wil alles openbreken. Alles moet bespreekbaar zijn, niets mag bedekt worden. Nee. Dan liever krijsend, vechtend, rauw in discussie samen ten onder, om daarna elkaar weer te vinden, elkaars verschil in mening te accepteren en daarin samen 1 te zijn. Het is niet dat zij vindt dat ze gelijk heeft. Ze weet heus wel dat deze aanpak niet altijd het meest handige is. Maar zij is nogal aanwezig.
“Misschien kan je iets van naastenliefde en acceptatie van de ander laten doorschemeren, misschien kan je iets van mildheid lospeuteren bij de ander”.

Ik klikte Facebook weer weg. Wat een onzin om daar nu mijn energie in te gaan steken, laat ik maar een boek gaan lezen. Ik probeerde mijn concentratie bij het boek te houden, maar de reacties op de desbetreffende facebookstatus lieten me niet los. Steeds bracht ik mijn aandacht weer terug naar de pagina in mijn boek waar ik al vijftien minuten naar aan het staren was.

” Ok, een kleine reactie kan geen kwaad”

De kwestie waar ik mijn hoofd over aan het breken was, was een kwestie over Halloween. In de christenwereld over het algemeen ” NOT DONE”. Immers, Christenen vieren het eeuwige leven en niet de dood. Even losstaand over wat iemand nu van Halloween vindt, het ging me niet eens over die discussie. Wat mij raakte was de manier waarover de Anti-Halloweeners spraken over mensen (Christenen) die wel Halloween vierden. Die kwamen er niet goed van af. Laat ik het zo zeggen: Ik zag de stenen voorbij vliegen (denkend aan wie zonder zonde is werpe de eerste steen).

Mijn taak in dit Facebookstaartje, vond mijn recalcitrante ik, was om op te roepen niet te oordelen, maar mensen de ruimte te geven om zelf een keuze te maken en daarmee in gesprek te gaan als je het niet begrijpt. Toen was het hek van de dam. Mijn reactie was de reden waarom kerken leeglopen. Door mijn overdreven liefdevolle reactie, zijn kerken te zacht geworden en krijgt het duister de ruimte om mensen te pakken.

Na die reactie raakte ik al aardig aan de kook. Mijn voorzichtige ik begon weer zacht te spreken:
“Rond het gesprek maar af, dit gaat je te diep raken. Deze mensen reageren ook vanuit hun liefde voor hun geloof, je komt nooit op 1 lijn met hen”.

Ik besloot te luisteren naar die zachte stem, aangezien ik had geleerd dat een fluistering vaak de wijsheid in pacht heeft. Als reactie op de vermaning dat ik liefde als mantel gebruikte gaf ik beleefd aan dat ik niet in discussie wilde hierover en dat ik ze nog een fijne dag wenste..

Ja.
Uuh nee.
Of in ieder geval fout geantwoord dus. Want nu was ik iemand die muren optrok, mijn eigen Christelijke groei in de weg stond en mij snel veroordeeld voelde. Daarnaast kreeg ik nog een privebericht dat ik een verdorven Christen was en mij snel weer moest keren tot het Licht.

Zo.

Ik ben een verdorven Christen. Aan dat idee moest ik even wennen. Nadat mijn woede wat was gezakt en ik tegen mijzelf zei dat dit ook gewoon mensen zijn met hun eigen meningen en zij oprecht mijn standpunt niet kunnen begrijpen. En nadat ik een aantal keren diep adem had gehaald, herhaalde ik de woorden van de mevrouw met de wijzende vinger een paar keer hardop.

” Ik ben een verdorven Christen”.
” Een verdorven Christen”.

Toen ik eindelijk aan dat idee gewend was, dat wanneer je liefdevol en zonder oordeel in de wereld probeert te staan je een verdorven Christen bent, kwam er een andere sticker op mijn pad. Dat van Christenhipster.

Ewout Klei en co publiceerde in de opinie van het Algemeen Dagblad dat er Christenen zijn die de blijde boodschap op een hippe manier naar buiten willen brengen.  Dat hipsterchristenen zich gedwongen voelen om afstand te nemen van de intolerante elementen uit het christendom (o.a. homoseksualiteit, samenwonen) en dat het vooral draait om de schone schijn en het imago.

Zo. BAM. Op 1 dag voelde ik een veroordeling uit twee verschillende hoeken die ook nog eens lijnrecht tegen over elkaar staan als het gaat om ” het geloof” .

Even dacht ik terug aan de mevrouw uit de Halloween-discussie. Misschien voelde ik me inderdaad wel snel veroordeeld. Maar ik kon er niets aan doen dit zo te voelen.

Volgens de 1 ben ik een verdorven Christen en de ander noemt mij een HipsterChristen, als ik de definitie van dat woord moet geloven.

Want ja: ik ben niet tegen homoseksualiteit. Wanneer mensen samenwonen vind ik dat ze dat zelf moeten weten. Ik zou nooit tegen beide partijen zeggen dat ze, bijvoorbeeld, niet aan het avondmaal mogen.Natuurlijk zou ik hier en nu kunnen beweren dat ik dat wel ben. Ik zou dat kunnen beweren omdat ik weet dat er straks mensen zijn die dit lezen en die naar de kerk gaan waar ik zondags ook vertoef: maar dan zou ik liegen. Dan zou ik woorden spreken die in mijn hart niet leven.
Ik wil transparant zijn. Eerlijk. Niks geen schone schijn. Niks geen hip gedoe om het Christendom populair te maken, of om te laten zien dat het Christendom heus wel tolerant is.

Ik geloof in een Schepper. In God. Ik geloof in het bestaan van Jezus. Dat Hij heeft geleefd, is gestorven en weer is opgestaan. Ik geloof in genade. Genade waarin ik mag rusten en weten dat deze genade er altijd is. Voor iedereen. Voor de Christen die verkleed als heks vrolijk mee doet aan het Halloween festijn, voor de homo die verliefd is op zijn ware liefde, voor tante Truus die na de kerkdienst met Tante Jacoba aan het roddelen is over Tante Ko die het laatste lied wel heel erg vals zong.
Genade voor de vrouw die mij verdorven vindt. Genade die ik mag ontvangen en weer uitdelen.
Boven alles geloof ik dat de God waarin ik geloof mijn gedachten kent, en dat Hij weet wat er in mijn hart leeft. Zou ik dan het ene spreken, terwijl mijn hart, mijn zijn, anders denkt? Of worstelt met bepaalde dingen? Wie houd ik dan voor de gek?

Ik ben mens.
Punt.
Ik drink, ik eet, ik slaap, ik schijt, ik heb lief, ik vloek, ik schaam me, ik bid, ik dank, ik vraag om vergeving, ik leer, ik dank, ik bid, bid om meer liefde in mijn hart voor alle mensen. ALLE mensen.
Ik bid dat het veroordelen en oordelen van mensen ver bij mij vandaan zal blijven. Dat wanneer ik dat wel doe, er mensen zijn met lef die mij een spiegel voor houden.
Ik bid voor mildheid voor mijzelf en voor de ander.
Dat ik vanuit die mildheid vrede kan uitdelen.

Ik bid dat ik in hemelsnaam meer op Jezus mag gaan lijken.
Dat ik de hoer, de tollenaar, de verlamde, de geestenzieke, de gevangene, de ontaarde gelovige zie en dat ik zeg: Ik zal met je eten, ik zal je helpen, ik zal je kleden, ik zal je liefde geven, ik zal je brengen bij de tafel van Hem, die zelf meer dan alles heeft ondergaan voor jou, voor mij.  Hij, Die mens was:  samen zullen we Zijn maaltijd nuttigen.

En ik dank, ik dank uit de grond van mijn hart dat ik, verdorven, Hipsterchristen ten diepste weet dat ik geliefd ben, door alles heen.

 

you

 

 

 

 

 

Jezus en de vloekende, vermoeide moeder die tot rust kwam.

Mijn man is alleen thuis met vier kinderen.
Dat kan hij.
Gelukkig heb ik er geen problemen mee hem daar alleen te laten.
Dat doet hij wel vaker.
Mijn zusjes huis staat leeg.
Ze zijn een weekend weg.
En ik..
Ik zit in haar huis.
Zodat ik kan slapen.
De hele nacht.

Een nacht slapen..
Zonder geween, gekrijs of slaperige kinderen die om 2.00 s nachts met vragen komen als: “Mag ik een appel” of “Is het al ochtend? ” of “Is Evi ’s feestje nu?”
Zonder dat ik na de zoveelste nacht schreeuwend tegen mijn lieve, middelste dochter zeg: “NEE EVI´S FEESTJE IS NIET NU, EVI VIERT GEEN FEESTJES MIDDEN IN DE NACHT. WEET JE WAT EVI DOET, EVI DIE SLAAPT, ZOU JE OOK EENS MOETEN DOEN!”
Ja hoor, ik schreeuw soms tegen mijn kinderen. Dat zeg ik gewoon. Gewoon hier. Ik ben er niet trots op. Zeer zeker niet. Ik ben aan het leren om mezelf te beheersen en de kinderen op zachte , doch dringende toon toe te spreken, maar het is, op één keer na nog totaal mislukt. Om het nog even wat erger te maken: wanneer het de twintigste keer is dat ik bruut uit mijn slaap wordt gerukt komt er soms ook een vloek uit.

Nu voel ik de gedachte van de lezer even afdwalen van de slaapproblemen in huize van Schaik: “O, u vloekt wel eens?” Ja inderdaad. “Maar u bent toch ook in de Heer?” Jazeker, ik ben zeer in de Heer. Ik weet dan ook, dat er gelukkig genade is, zodat ik me niet zwaar schuldig hoef te voelen wanneer het eens gebeurt. Ik bid me na de vloek dan ook suf of de kinderen ALSTUBLIEFT een nacht door mogen slapen en dat ik heus wel snap dat mijn kleine leed in het niet valt bij de grote misère op deez aarde, maar dat ik eens iemand hoorde zeggen dat het ene leed het andere niet uitsluit, dus ook niet vergelijkbaar is en dat ik daarom wel deze vraag bij de Grote Man durf neer te leggen.
Soms werkt het. Dan slapen ze. Slaap ik alleen weer niet..Omdat ik te veel onder de indruk ben van het wonder dat mijn gebed is verhoord.

13450092_555577917953652_2388377631618080636_n

Misschien geef ik nu te veel informatie over mezelf bloot.
Over het vloeken en schreeuwen bedoel ik.
Ach ja, goede kletspraat voor zondag onder de koffie.
Eigenlijk kan het me niet zoveel schelen wat je over me denkt nu je hoort dat ik heel soms een schreeuwende, vloekende moeder ben, misschien wel zo eentje die Ciske de Rat ook had.
Ik heb niet zoveel zin in me beter voor te doen. Dat ben ik namelijk niet. Beter dan jou, of dan u. De kans is groter dat u heiliger en beter bent dan dat ik ben. Dat kan me niets schelen. Ik vind het prima. Ik ben namelijk niet alleen moe van mijn kinderen. Maar ook van de maakbaarheid van deze maatschappij. Soms is het namelijk gewoon stom . Soms is het leven gewoon niet leuk, vind ik mijn kinderen irritant, wil ik scheiden van mijn man – ondanks dat hij heus wel leuk genoeg is om bij te blijven- maar simpelweg omdat ik geen zin meer heb om in de relatie te investeren.
Soms wil ik gewoon even verdwijnen. Soms is het gewoon stom.  Soms wil ik even lekker zielig doen, alles ellendig vinden, de wereld niet meer kunnen begrijpen – want ik begrijp die hele wereld ook niet, laat staan de mensen die erin wonen, om nog maar niet te spreken over mezelf. Soms zou ik willen dat alle geluid, geraas, gezeur de wereld zou verlaten. Want dan was mijn gezeur ook niet aanwezig.
Soms wil ik gewoon even verdwijnen.

Vroeger – toen ik nog een klein schreeuwerig meisje was- pakte ik dan mijn rode rugzak en vertrok ik richting de grote bulten achter mijn huis, met de boodschap voor mijn ouders: “EN IK KOM NOOIT MEER TERUG”. Om vervolgens balend aan het avondeten te zitten, mezelf streng toesprekend wat voor loser ik was , dat ik het niet eens twee uur had kunnen volhouden.
Nu verdwijn ik in mijn werk, in mijn series of gewoon in mijn hoofd. Maar dat laatste raad ik mezelf nooit aan. Dat is vaak nog vermoeiender.

Ik word er ook heel primair van. Van weinig slaap en van moedeloosheid. Echt joh. En enorm cynisch. En “numb”. Alsof ik pillen slik die de helft van mijn emoties verdoven.
Misschien dat ik daarom dit nu ook wel zo, zo rauw en zonder vrees en schaamte neergooi.

.. Gelukkig weet ik dat er genade is.. Vroeger dacht ik altijd, ik kom nu zeker in de hel. Nou niet alleen ik dacht dat, ook op catechisatie kreeg ik dat te horen. Gelukkig weet ik dat er ook genade is voor hysterische, vloekende, oververmoeide moeders.
Soms als ik me schuldig voel over mijn boze bui, over mijn onmacht – ja want heus, ik heb ook een geweten en een schuldgevoel- dan denk ik aan het verhaal  van Jezus in de tempel. Dat Hij iedereen weg ging jagen uit het huis van Zijn Vader. Hij was boos! Hij was geraakt. Jezus kon er ook wat van hoor. Als mensen iets deden wat hem echt raakte…  Jezus liet zich ook raken. Jezus was heel kwetsbaar. Hij deed niet alsof. Hij was eerlijk in dat wat Hij deed. Hij maakte de dingen niet mooier omdat Hij dan meer vrienden zou krijgen, of omdat dan de Farizeeërs Hem dan aardiger zouden vinden. Jezus hield niet van nep. Jezus hield van echtheid. Dat is één van de dingen die ik zo mooi aan Hem vindt. Zijn echtheid. In alle verhalen die je leest durft Hij volledig zichzelf te zijn.

Iets wat ik nu vooral probeer, en wat ik ook van Hem heb- van Jezus bedoel ik- is de rust opzoeken. Daar was Hij nogal goed in. Hij zonderde zich af, omdat Hij wist dat rust goed voor Hem was.
Dat vond ik dus wel een strak plan.
Sinds een jaar doe ik dat ook. Me afzonderen. Me opladen. Omdat met te veel mensen om me heen, ik energie aan de ander blijf geven. Ik blijf zorgen, entertainen, ik blijf me focussen op de ander en neem het juk van de ander met me mee. Ik laad niet op met mensen in mijn buurt.

Daarom zonder ik me af. In een kloosterweekend, of een nacht ergens anders. Of een hele week, iedere avond op mijn kamer zitten, alleen. Opladen… tot rust komen..

Jezus had geen kinderen.
Tenminste dat is wat ik geloof.
Ik heb het niet gelezen in De Bijbel die ik lees.
Sommige zeggen namelijk dat Hij wel kinderen had.
Ik weet het niet.
Als het wel zo was, dan vind ik het jammer dat er niets over in de Bijbel staat. Ik had graag willen weten wat Hij had gedaan met vier kinderen wakker in 1 nacht. Of Hij dan ook had geschreeuwd. Ik denk niet dat Hij Zijn eigen naam zou hebben geroepen.
Als ik Jezus zo een beetje ken, en ik ken Hem een beetje, dan was Hij rustig bij het schreeuwende kind gaan zitten. Zelfs na de 20e keer. Tja, Hij zou dat kunnen. Hij was zonder zonde.
Misschien zou Hij gaan bidden en was ze wonderlijk in slaap gevallen.

Ik ben nu alleen
In het huis van mijn zusje.
Dankzij mijn man mag ik vannacht slapen
Ik hoop voor manlief dat Jezus vannacht in tha house is en Hij bij alle vier de kinderen gaat zitten. En iedere keer dat ze schreeuwend wakker worden, ze wonderlijk weer in slaap vallen.
Dat zou mooi zijn.
Voor mijn man..
Maar ook voor mijn kinderen.
Ik bedoel: Jezus zal maar iedere nacht naast je zitten…

*Voor het geval men het zielig vindt voor manlief: Hij mag morgennacht slapen.