Dat er voor je gezorgd zou worden, heb jij nooit als vanzelfsprekend gezien.
Je hebt altijd je eigen boontjes moeten doppen. Hij had dat nooit geleerd.
Hij kon alleen oogsten van de grond waarop jij gezaaid had. De vruchten hield hij voor zichzelf., voor jou de pitten en het rotte fruit.
Had hij jou gezien, dan had hij geweten  dat hij jou had moeten koesteren. Als breekbaar porselein. Hij was verblind door zijn onvermogen en hij kon niet voorkomen dat je uiteindelijk zou breken.


Je was uitgeput, leeg, verlamd.
Pas toen jouw handen niet meer konden dienen, besefte hij wat hij had gehad. Zijn maag raakte leeg en niemand gaf hem te eten.
Woedend  had hij zijn lege bord naar jou gesmeten.
Met rauwe stem schreeuwde hij waar zijn warme maaltijd bleef.
Bij het omkijken naar waar de stukken servies terecht waren gekomen, zag hij jouw lichaam liggen.


‘Goed porselein is schaars tegenwoordig’, sprak hij, terwijl hij jou begroef, daar waar jij eens gezaaid had.
De aarde bedekte zorgzaam, haast liefdevol, als een warme deken, jouw koude lijf.
Het was de rust die jij eindelijk zou oogsten.

Agnes Obel

©️Wendy