Ze was 11, mijn nichtje.
Terwijl ik in een stoffenwinkel woest de lappen aan het doorspitten was voor mijn trouwjurk, vocht zij op straat voor haar leven.

Op de zondagsschool hoorde ik als kind verhalen over God die dode mensen levend maakt. De hele weg naar het ziekenhuis heb ik met de Man met de baard zitten onderhandelen. Maar het heeft niet geholpen.
Een automobilist reed veel te hard, zag haar te laat en in 1 seconde was haar jonge leven voorbij.

Er was een vrouw gisteren. We sporten samen in dezelfde sportschool. Ze had een luisterend oor nodig, zo bleek; de schoonzus van haar zoon heeft nog maar enkele maanden te leven. Drieëndertig is ze. 33. Twee kleine kinderen. Ik kon niets anders uitbrengen dan :’Wat is het leven soms oneerlijk he.’ Ze knikte, mijn sportpartner en we zwegen. Soms rest er niets dan te zwijgen.

‘Toen ik nog niet geboren was, woonde ik in de hemel’, sprak mijn dochter van 6 vanmiddag wijs. Ze zei het zo overtuigend, dat ik het bijna ging geloven.
‘Oh ja’, zei ik. Mijn dochter knikte enthousiast en zei dat alle mensen in de hemel geboren worden en dan als baby in de buik van hun moeder terechtkomen en dat als we doodgaan we weer naar de hemel reizen. ‘En dan begint het weer opnieuw.’

Ik vind het een troostrijke gedachte die mijn zesjarige meisje geeft.
De angst voor de dood heeft bij mij er altijd diep ingezeten: voor alles bang, het leven te groot, de levensvragen te ingewikkeld, de depressies te diep. Mensen die komen en gaan.
De oneerlijke kant van het leven waarin veel te jonge mensen terugreizen naar de hemel, of God en mens weet waarheen.

Ze was een heerlijke, levenslustige vrouw. De moeder van een vriendin. Of ik wilde spreken tijdens haar afscheidsdienst, in het Drents, dat dan weer wel. Ik zat aan haar bed en mocht luisteren naar haar levensverhaal. Er werd gelachen, gehuild en de anekdotes vlogen voorbij. Evenals haar tijd hier op aarde. ‘Er moet veel gelachen worden’, zei ze, ‘niet van dat verdrietige, ik heb een mooi leven gehad.’

Temidden van het leven, met één voet al over de grens, omhelsde ze de dood. Het was goed.

Ik kan het niet bevatten; dat je vrede kunt voelen wanneer je weet dat je gaat. Misschien is dat het grote mysterie rond die laatste levensfase.
Wat ik wel heb geleerd, van deze vrouw, maar ook van anderen die mij zijn ontvallen, is dat de dood omhelzen in het leven, het niet schuwen, maar er naar durven kijken, erover durven praten, de angst verjaagd. De dood hoort bij het leven: het is komen en gaan. Hoe verdrietige en oneerlijk het soms ook is.

Ze was 11, mijn nichtje. Er gaat geen dag voorbij dat ik niet aan haar denk. Ze is niet weg, ze heeft een plekje gekregen; in mijn hoofd en in mijn hart. Af en toe ga ik er even naar toe. Om haar te missen, even weer te rouwen en stiekem naar boven te kijken en te zeggen: ‘Ik hoop dat je een goede reis hebt gehad.’

©wendy