Wij hebben een avonturentuin. Zo’n tuin met woeste stengels onkruid en bakstenen her en der die wachten om op de juiste plek gelegd te worden. Mijn vier kinderen vinden het heerlijk. Want de tuin ziet er niet alleen avontuurlijk uit, hij is ook avontuurlijk. Regelmatig gaan ze op survival door de jungle, maken ze heuse heksensoep of bouwen ze van stenen een betoverend doolhof waarin ze dan verdwalen.

Het was dan ook op een zonnige dag dat mijn twee jongste dames en mijn driejarige peuter slenterde door het zwarte zand. Met stokken zwaaiend door de takken van de bomen en met hun kleine voeten wroetend in de zwarte aarde waren ze op zoek naar kleine dieren.

Het duurde niet lang voordat mijn zoon een verzameling pissebedden onder een steen had gevonden. “Rozijntjes! Rozijntjes die lopen!” riep hij enthousiast. “Nee, nee” , corrigeerde zijn zus hem: “pissebedden zijn dat, pissebedden”.  “En deze dan?” vroeg zusje terwijl ze tussen haar twee vingers een slakkenhuis vasthield .  “Een slak”, zei zus wijs, “dat is een slak”.

Ik genoot van het plezier dat aanwezig was in de tuin.  Helaas was dat plezier van korte duur.

Niet veel later komt zus gillend en woest naar binnen gestormd:
“Mama! Ik had een worm gevonden die noemde ik wormpie en het was mijn beste vriendje en ik liet hem aan zusje zien en die heeft zo zijn kop eraf gehakt! Met een schep!
Maar het werd nog erger!Toen bewoog hij nog, toen had ik hem ergens neergelegd en toen hebben ze hem met een plank nog platter gemaakt!”

Ik schiet in de lach.

“Mama daar moet je niet om lachen! Hoe zou jij het vinden als jouw vriendje dood werd gemaakt!”

Ik houd mijn lach in en in stilte onderga ik de vermaning van mijn dochter, want om de dood van een vriend, ook al is het een worm, lach je niet.

©Wendyvanschaik2018