Goedemorgen God,

Mijn bed staat naast het raam. Dat zult U wel weten, want U ziet alles.
Wanneer de dag zich uitrekt en aan de morgen begint, kijk ik graag uit dat raam.
Niet dat er veel te zien is; het trappenhuis en een stenen muur. Voor de muur staat een boom, die prachtig in bloei kan staan. Maar nu nog niet, nu is de boom nog kaal. Geen enkel teken nog dat het een trotse drager zal zijn van schone bloesem.

Ik zag een vogel voorbij vliegen, vlak langs dat slaapkamerraam. Deze vogel woont in de kale boom. Dat vind ik fijn voor de boom, dan is er toch nog iets wat zijn takken versierd.
Ze was bijna tegen het raam aangevlogen, alsof ze even uit balans was.
Ik dacht: arm dier, ook jij wankelt wel eens, voor zover dat kan ik in de lucht.
Ze ging zitten op het natte dak van onze schuur.
Haar kopje ging langzaam van links naar rechts. Ik vind haar mooi.  Haar  blauwe vleugels steken duidelijk af  tegen het geel van haar onderkant.
Ze zit er wat eenzaam bij, maar tegelijkertijd lijkt ze daarin te berusten.

Ineens vraag ik me af waarom ik denk dat de vogel een zij is. Het had net zo goed een mannetjesvogel kunnen zijn. Of wankelen mannen minder snel. Zij zullen misschien zeggen dat zij inderdaad stevig in hun schoeisel staan en het wankelen ontkennen. Mannen hebben natuurlijk hun trots hoog te houden. Meer dan vrouwen misschien..
Ik allang niet meer. Ik vind het goed om een wankel vogeltje te zijn. De wereld zit al vol genoeg met trotse pauwen die hun kwetsbaarheid liever verborgen houden.

Misschien beslis ik daarom dat de vogel een vrouw is.
Ik staar naar haar. Ze maakt me rustig. Hoe eenzaam ze ook lijkt op dat dak.
Het doet me denken aan een zin in 1 van Uw boeken; De Psalmen.

De schrijver van de psalm wordt omschreven als een ongelukkige die dreigt te bezwijken en zijn klacht uitstort voor de HEER;    dat bent U: De Heer.
U heeft er vast gelijk een beeld bij, van wie dat heeft moeten zijn bedoel ik.
Nou een klacht is het inderdaad.


HEER, hoor mijn ​gebed,laat mijn hulpkreet U bereiken. Verberg Uw gelaat niet voor mij.”

 

Ziet U, meer mensen hebben er last van gehad. Dat U even onvindbaar bent bedoel ik. Ik snap het wel; ik zou me ook verstoppen als mensen beginnen te klagen.
Ik houd daar niet zo van. “ Stel je niet zo aan er zijn ergere dingen op de wereld” , dat zei mijn moeder altijd, en ik nu ook. 
Maar deze schrijver is echt in nood en smeekt of U wilt luisteren, wilt antwoorden.

 

“ Mijn dagen vervliegen als rook,

mijn gebeente gloeit als vuur.

Mijn ​hart​ is verschroeid en verdord als gras,

antwoord mij haastig nu ik roep.”

Mijn hart is vaak gebroken geweest. In mijn puberteit, door mooie jongens met grote blauwe ogen, soms bruin; die zeiden dat ik de mooiste was. Ik deed dan dingen die U verboden had. Maar U ziet toch alles, dus dat weet U.
“ God is erbij”, dat is mij altijd gezegd. Soms als troost, soms als waarschuwing. Ik lag er altijd wakker van, van de gedachte dat U wist wat ik had uitgevreten.
Later was het een geruststelling dat U alles weet. Waarom zou ik mij dan anders voordoen. U weet alles, U ziet alles, hoe zeggen slimme, pastorale herders  dat ook alweer;  O ja, “U ziet het hart aan.”
Het hart van deze schrijver is verschroeid…Daar is dus niets van over, dat is nog erger dan gebroken. Gebrokenheid is te lijmen, maar verschroeid: uit as is niets meer te maken.

Raakt het U? Als iemand dit zegt, het uitschreeuwt? Ik wil U niet uitdagen, ik ben oprecht geïnteresseerd. Al  twijfel ik of U zal antwoorden. Dat deed U ook niet op zijn gebed. Tenminste hij heeft het niet opgeschreven.
Hij is eenzaam deze man.

Ik ben eenzaam als een vogel op het dak.

Ik kijk naar de vogel en ze zit er nog steeds. Het verrast me. Blijkbaar heeft ze het goed daar op het plekje waar ze nu even zit. Eenzaamheid kan op een gekke manier misschien ook wel helend zijn. Omdat er niemand is die bij je verdriet kan, dus zul je het zelf even moeten vastpakken en omarmen. In eenzaamheid is stilte , wanneer je het lawaai van de gedachtestroom weet te doorzien.

Hoe is dat bij U?
Bent U wel eens eenzaam of kent U geen eenzaamheid. Bent U weleens bang? Dat U het niet goed doet?
Ik heb dat constant. Vooral als ik mij begeef onder Uw volgelingen. Dat ik te ruimdenkend ben, te veel twijfel, te veel wankel en daardoor bijna tegen slaapkamerramen aan vlieg.  Dat ik te zwak ben en zij schijnbaar te sterk.

De schrijver is bang voor Uw toorn. Hij zal wel iets ergs gedaan hebben, want Uw toorn is tegen hem ontbrand. U heeft dus wel ergens van U laten horen. Hij is gestraft en weet dat U de afzender bent.

Ik heb dat niet. Dat als er iets naars gebeurd dat ik dan vind dat dat Uw schuld is. Ik hoop dan alleen maar meer dat U er wel bent om  de dingen weer goed te maken. Een Schepper heeft toch deze eigenschap: dingen goed willen doen. Het scheppen: uit niets, iets maken en dan zeggen: “ Het is goed, zeer goed” . Het kromme recht maken en meer van dat soort dingen.

 

De vogel is gevlogen. Naar haar nest in de kale boom. Daar zit ze. Thuis maar onbeschermd door bloem of blad. Op haar nest, gemaakt van takken die ze ijverig van beneden naar omhoog heeft gevlogen. Van de aarde naar de hemelhoog om iets te creëren waarin ze zich kan nestelen.

Soms ben ik bang dat ik dat ook doe. Zwoegen op aarde om een hemel te creëren.
Ik weet dat ik dat deed. Hard werken in “ Uw koninkrijk” zoals dat wordt genoemd. Ik hoopte op mooie vriendschappen met mensen die ook U God noemen, ik hoopte dat beloftes waargemaakt zouden worden. Dat er heling zou zijn. Ik heb mijzelf voor de gek gehouden. Ik heb gebrokenheid gevonden. Mijn eigen gebrokenheid. Dat geeft niets. Ik kan op een gekke manier gebrokenheid wel waarderen. Na de bitterheid dan, na het klaaggezang, na de worsteling, als ik de gebrokenheid eenmaal heb aanvaard, dan kan ik het waarderen.

 

“Maar u, HEER, troont voor eeuwig, uw roem zal duren, geslacht na geslacht”

Zit U nu op Uw troon? In de hemelhoog? Het is fijn dat U tijdens het schapen van de mens fantasie in ons hebt gegoten. Ik besef dat nu, nu ik zo een beeld krijg van hoe U zit en luistert. Ziet U, het is grappig, toch? Dat ik twijfel en toch denkt dat U luistert. Dat zal de klagende schrijver van de psalm ook gedacht hebben. Dat U wel moet luisteren. Dat U woont tussen de mensen. En wij wonen in U. Want U bent alles: het Al in al.

Ze zingt. De vogel. Het is een pimpelmees heb ik net ontdekt. Het klinkt te Christelijk als ik nu zou schrijven: het is een lied van hoop. Maar het is al geschreven.
De vogel in haar eigen gemaakte nest, in een kale boom. Zou ze verrast zijn als de eerste bloesem uitkomt? Zal ze dan denken, er is meer dan mijn eigen eenzaamheid dat mij omarmt?
Misschien zie ik Uw bloesem ook wel uitkomen. Dat ik ontdek dat ik, ook al was ik in de leegte, toch al die tijd in U gewoond heb, en U in mij. Maar dat ik dat nog niet doorhad; dat lieflijke schoonheid tijd nodig heeft om tot bloei te komen.

Misschien wankel ik om te ontdekken dat U me toch wel vasthoudt.

 

 

Tekst uit het boek van God: psalm 102

© wendyvanschaik2018