Opeens sta je stil,
En het leven om je heen gaat gewoon door.
Je wilt wel door leven, maar het lukt je niet.
Je zit vast.
Vastgeroest.
Je kunt geen kant op.
Gevangen in het duister is de tijd je vijand.
Het lachen is je vergaan.
Je zit vast in het web dat je zelf hebt gesponnen, in dat wat je doet, wat je hebt, of wat je van jezelf moet zijn.
Maar nu is er niets dan leegte.

Heer geef me dan Uw Licht
Dat ik U zie
Ik mij op u richt
Het duister voelt zo koud en kil
U warmte dat is wat ik wil

Het gevoel hebben dat je geen kant op kunt.
De ruimte om je heen voelt klein en benauwd je.
Eigenlijk heb je alles om gelukkig te zijn: een lieve man, prachtige kinderen, een huis, geld om eten, drinken, kleding en snuisterijen te kopen, een leuke baan. Je leven is goed, je leven is mooi en je leeft je leven in een land waar geen oorlog is.

En toch, toch voel je je zwart van binnen. Je ogen voelen zwaar, je hoofd zit vol, het liefst zou je je willen verstoppen.
De woede raast als een ongetemd wild beest door je lijf, en hoewel je dit probeert te onderdrukken komt het naar buiten door de extra laag onder de zinnen die je uitspreekt. Te kortaf tegen je kinderen en je man. Je zegt te vaak woorden die je kinderen niet mogen horen en wanneer een zonnestraal jouw huid een goedemorgen kust, voelt het ijskoud aan, alsof iemand een glas koud water in je gezicht gooit.
Je wilt geen licht. Je wilt in je bed blijven. De dag voelt te zwaar, te vermoeiend.

Deze gedachten, deze gevoelens maken dat je heel erg boos wordt op jezelf. Genadeloos hard. “Stom wijf, waardeloos mens, rotwijf, kijk nou wat je hebt, doe normaal, kom je bed uit lui varken, wees eens een goede moeder, doe eens leuk, doe eens lief, doe eens normaal!”
Normaal doen. Normaal doen is je verlangen. Je wilt niets liever dan dat. Maar het lukt je niet.

Je sleept jezelf uit bed naar de badkamer toe. Je gooit ijskoud water in je gezicht en haalt diep adem terwijl je je beste gezicht opzet en de dag begint.
Je lacht, je verzorgt, je kust, je werkt, je speelt, je lacht nog iets meer, je kust, je kookt, je verzorgt nog iets meer, je lees verhaaltjes, bidt dromen toe, je vrijt, je werkt, je wast en tot slot val je doodmoe neer.

Tussen al deze handelingen die je de dag door gesleept hebben, voelt het alsof  je 1000 keien hebt moet meeslepen. Je ben doodmoe. Je hoofd is vol, maar tegelijk leeg. De wereld om je heen draait door en het is alsof je in het midden stilstaat en je er zelf eigenlijk niet bent.
Je weet dat je door moet gaan. Alles uit je handen laten vallen kan niet en je wilt het ook niet: te veel klussen, te veel beloftes, te veel waardering die je anders moet missen, maar je bent zo moe.

De verleiding om je over te geven aan eeuwige stilte is groot, maar de liefde voor het leven is vele malen groter. Je schaamt je dat je deze gedachten hebt.
Je hoort het in de woorden die de mensen spreken :wees eens dankbaar, kijk wat je hebt. Je ziet het wel, heus wel en je bent ook dankbaar. Het is geen ondankbaarheid wat je overvalt. Het is geen rol waar je induikt. Was dat maar zo, dan had je met gemak dit personage van je afgeschud en was je uit deze zwarte komedie gestapt.

Maar je begrijpt ook dat mensen om je heen dit niet kunnen rijmen, laat staan begrijpen. Want wie je nu bent staat in contrast met hoe mensen je kennen: een mens dat lacht, geniet, doet, grapt en grolt.
Hoewel je een en dezelfde bent huilt er nu een kind dat zo moe is, zo ontzettend moe van het willen zijn en daarom maar doen.
Je bent bang dat mensen denken dat je gek bent. Maar het is geen gekte, geen waanzin, geen personage uit het eerste bedrijf van een of andere Griekse tragedie.
Je bent op.
Leeg.
Je kunt niet meer.
Je wilt alleen maar zijn.
Gedragen worden en niets meer hoeven.

Maar niets doen is geen optie. Omdat doen maakt dat je opstaat iedere ochtend.
Dus je omarmt dat wat je het meest hekelt:
Je donkere denken en je hoopt dat ooit diep van binnen het licht het van het duister wint. Zodat je kracht vindt om los te laten, zodat je niet langer vastgeroest zit aan het negatieve denken, de jaloezie, de onzekerheid, de neerslachtigheid.
Je troost het vermoeide kind diep in je, wat moet vechten tegen de grote boze opstandige ik, die vaak heeft moeten opstaan in het verleden, en je hoopt dat zij een keer blijft zitten, het bijltje erbij neerlegt en dat het kind ontroest en in beweging komt en leert sterk te zijn in een wereld waarin soms te veel gebeurd om te verwerken.

En je hoopt dat je heus wel weet dat je niet voor altijd in het donker blijft.
Dat het donker je soms overvalt, maar dat er altijd licht binnenkomt.
Dat dat licht je de weg wijst.
Dat  licht is je hoop.

Omarm me in mijn leegte
Geef me vrede
Geest beweeg
Geef me rust
Verwarm me in deze kilte

 

 

©wendyvanschaik2017