Ineens was het goed.
De haast in mijn lijf ging zitten
Ze keek door mijn ogen de wereld in;
Lopende mensen, zwoegend, hijgend, rennend van plaats, naar plaats.
De snelle ademhaling was voor haar geen vreemde.
“Waar lopen al deze mensen toch naar toe?”, dacht ze bij zichzelf.

Ze keerde zich naar binnen, legde haar hand op haar buik.
In en uit.
Langzaam.
Adem in en uit.
De ademstroom voelde tegennatuurlijk.
Het was de druk van het moeten dat haar een hele lange tijd voortduwde.
Zo was ze ontstaan.
Altijd op scherp,
altijd op weg,
altijd beter,
altijd moeten,
altijd alles willen hebben,
altijd eerder dan de ander,
altijd meer,
altijd grijpen, graaien, groter, gretiger.
Tot nu.
Er was iets wat de haast tot kalmte maande.
Ze wilde dat gevoel grijpen, maar het liet zich niet vangen.

“Wat is het dat mijn rennen doet stilstaan? ” vroeg ze zich af.
Ze ging zitten en staarde naar de mensen buiten haar.
Door de flitsen van het rennende heen en weer zag ze iemand zitten.
Zijn ogen ontmoette die van haar en raakten haar ziel.
Zonder te spreken wist ze dat hij zei:
“Haast, komt tot rust en leef!”
“Leef!”
Op dat moment begon de rust te stromen
Ze verwonderde zich over de vrede die het haar gaf.

Zo zat ze een hele tijd.
Totdat ze dacht:
Ik denk dat ik de haast naast me neerleg en me in deze stilte berust.
Dat deed ze.
En ze wist dat het goed was.

©wendyvanschaik2017