Dat er voor je gezorgd zou worden heb jij nooit als vanzelfsprekend gezien.
Je hebt altijd je eigen boontjes moeten doppen.
Hij had dat nooit geleerd.
Hij kon alleen oogsten van de grond waarop jij gezaaid had.
De vruchten had hij voor zichzelf gehouden,
voor jou de pitten en het rotte fruit.
Had hij jou gezien, dan had hij geweten  dat hij jou had moeten koesteren,
als breekbaar porselein.
Maar verblind door zijn onvermogen kon hij niet voorkomen dat je uiteindelijk zou breken:
Uitgeput, leeg, verlamd.
Pas toen je er niet meer was besefte hij wat hij had gehad.
Zijn maag raakte leeg en niemand gaf hem te eten.
Woedend  had hij zijn lege bord naar de muur gegooid.
Hij had met rauwe stem geschreeuwd waar zijn warme maaltijd bleef.
Bij het omkijken naar waar de stukken servies terecht waren gekomen, zag hij jouw lichaam liggen.
“Goed porselein is schaars tegenwoordig” zei hij, terwijl hij jou begroef, daar waar jij eens gezaaid had.
De aarde bedekte zorgzaam, haast liefdevol, als een warme deken, jouw koude lijf.
Het was de rust die jij eindelijk zou oogsten.

Muziek: Under Giant Trees  Agnes Obel

 

©wendyvanschaik2017