Starend. Zo zat ze. Starend naar een kale tak van de amandelboom in de tuin. De blaadjes die eens de tak sierde, lieten zich gewillig meevoeren op de zucht van de wind. Ze vroeg zich af wanneer zo’n blaadje de beslissing nam om de sterke tak los te laten.
Of was er geen sprake van een keuze. Was er geen wil, maar een moeten. Was het de kracht van de wind die het blaadje brutaal van de tak afrukte. Cynische woorden maakte haar gedachten donker.
Sommige dingen gaan nu eenmaal stuk.

Ze scheurde de laatste foto uit het album en stond op. Haar lichaam voelde zwaar. Haar benen konden haar nauwelijks dragen. De avonden van piekeren hadden zijn tol geëist. De nachten waren gemeen geweest. Het maakte dat de leegte diep in haar nog meer voelbaar werd. Op weg naar de slaapkamer stapte ze over de scherven heen die op de grond lagen.
De herinnering waarin ze zichzelf in woede de spiegel van de kant zag halen en op de grond gooide, negeerde ze.
Sommige dingen worden nu eenmaal gebroken.

Ze stond zichzelf toe haar weer te begraven onder de donkere deken. Haar bed was haar veilige baarmoeder waar niemand bij kon. Geen goedbedoelde woorden, geen ogen vol medelijden die de hare zochten. Niets van dat al. Want al dat maakte de gebrokenheid alleen maar zwaarder. De wond die zij voelde was niet te helen.
Sommige dingen moeten nu eenmaal bloeden.

Ze zuchtte.. Het maakte dat de maalstroom aan gedachten minder werd. Haar buik bewoog op en neer, ze liet zich troosten door het ritme van haar adem.
Adem. Ruach. Het was de Levensadem die haar deed leven. Het leven waar ze nu de schoonheid niet van kon ontdekken. Alles leek vervallen, alles leek voor niets, alles leek verloren.
Sommige dingen heb je nu eenmaal gekregen om te verliezen.

In het prille voorjaar had alles zo mooi geleken. Zoals de amandelboom in prachtige bloei had gestaan, zo was de liefde de vrucht die bij hun tot bloei kwam.
Zij had in hem haar kleine geluk gevonden. “ Jij bent het beste wat me is overkomen en ik wil je nooit meer verliezen” , waren de woorden die hij vol liefde naar haar had uitgesproken, met daarop volgend een “ Ja, ik wil”. Ze hadden de liefde gevierd.
Het eerste jaar was zo mooi geweest. Ze had, hoewel ze bang was om weer bedrogen uit te komen, zich in volle overgave aan hem gegeven.
“ Ik geloof dat we bij elkaar zijn gebracht, dat geloof ik echt Anne”.

Haar maag keerde zich om bij de herinnering aan de woorden die hij had uitgesproken vlak voor haar ontdekking. Ze kroop dieper onder de dekens.
Wat heeft gebrokenheid voor zin. Wat is het nut van de pijn van een wond. Hoe stelp je een wond die alleen maar groter lijkt te worden naarmate de tijd tikt, in plaats dat het tikken van de tijd wonden hoort te helen. Ze proefde het zout van haar tranen. Wat een misere. Ze was de hoofdpersoon geworden in een drama die ze zelf nooit zou hebben geschreven. Graag zou ze een hartig woordje met de auteur spreken. Had er geen ander plottwist kunnen plaatsvinden. Ze had de pen graag zelf in de hand gehad.
Dan had ze haar zogenaamde grote liefde uit haar verhaal geschreven.
Sommige verhalen moeten nu eenmaal geschreven worden.

“ Stef? Kom eens, er staat iets raars op de computer, ik denk dat je even moet komen”.
Dat waren de eerste woorden die ze had gesproken toen de naakte lichamen op het beeldscherm verschenen en dingen lieten zien waarvan zij niet eens wist dat het kon. Ze was niet zozeer geschrokken bij het beeld van naakte mensen die elkaar wellustig vastgrepen, maar meer van Stefs’ reactie.
Hij had als bevroren in de deuropening gestaan. Zijn blik verstarde, zijn armen hingen stijf langs zijn lichaam.
“ Stef?, kan je even helpen?” had ze gezegd, in de hoop dat ze daarmee de gedachte, dat dit niet de eerste keer was dat hij dit zag, in haar hoofd zou verdringen.
“Hey, wat sta je daar nou stom?” lachte ze nerveus.
Hij liep naar de computer, drukte het beeldscherm uit en met hetzelfde tempo liep hij de woonkamer weer in.
Ze liep hem achterna. “ Moet je mij wat vertellen?” “ Is dit van jou?” “Of is het weer een raar virus op onze computer?”
“Wilde je wat inspiratie op doen?” Ze wist hoe onnozel het klonk.
“ Stef? Waarom zeg je niets?”. Hij stapte bij haar vandaan. “ Ik moet even weg”.
Ze voelde de tranen opkomen. “ Even weg?…” Haar adem stokte, de woorden die ze anders zo makkelijk kon vinden waren verdwenen, het leek of haar hart stopte met kloppen, ze wilde haar handen op haar oren leggen en heel hard schreeuwen zodat zij zijn antwoord niet zou horen.
“ Anne, ik heb een heel groot probleem en dat probleem is nu van ons samen”
De amandelboom die zo mooi bloeide werd meedogenloos gesnoeid.  Hij was de brutale wind die het blad keihard van de tak had afgerukt.
“Een probleem?..”

De bel ging. Ze sleepte zichzelf uit bed, slofte naar de deur en gooide deze open.
Daar stond de dader. Er was geen uur voorbij gegaan dat zij geen woorden van oordeel over hem had uitgesproken.
Hij stond als geknakt riet voor haar.
Ze voelde diep in haar hoe de woede het gevecht aanging met haar eigen pijn en het verlangen om iets van de wil van vergeven te ervaren.
Ze ving zijn blik van schuld en berouw, ze wilde hem niet breken.
De strijd diep in haar ziel was heftiger dan het de afgelopen dagen was geweest en toch was het anders; een zachte stem die haar toesprak, die de donkere gedachten deed verstommen.
Uit haar hartenpijn bloeide genade.
Sommige dingen verdienen een kans; Gebrokenheid verdient een kans om geheeld te worden.

“ Kom binnen…”  zei ze.

©wendyvanschaik oktober 2016