Het meisje waaide zoals altijd met alle winden mee.
Lopend op de wijzers van de klok die langzaam tikkend hun ronde deden. Hoewel niets haar kwam aanwaaien was de wind altijd haar vriend geweest.
In moeilijke tijden was hij het die haar een duwtje in de rug gaf.
Toch was er een tijd dat er niets was. Het was windstil.

Het meisje werd wakker op dezelfde tijd als de dagen daarvoor.
Ze wist niet wat de dag haar ging brengen maar daar maakte ze zich ook nooit druk over. Het leven komt zoals het komt en het gaat wanneer het wil.
Het meisje stond op en liep naar de badkamer om zich te wassen. Ze kamde haar haar, poetste haar tanden en trok haar kleren aan.
Ze bekeek zich in de spiegel, alhoewel ze liever haar spiegelbeeld ontweek. Ze vond het moeilijk om haar spiegelbeeld aan te kijken. Haar spiegelbeeld was woest, lelijk en gemeen. Ogen van afgunst waren het die haar terugkeken en die kwamen recht haar ziel binnen.
Snel,  maakte ze dat ze wegkwam. Ze trok haar jas aan en ging staan op de wijste wijzer van de klok, wachtend tot de wind haar voort zou duwen.
Ze zag de zon opkomen, en tegen het middaguur, toen de wijzer nog geen tik was versprongen op de klok, vroeg ze zich af of de wind nog wel zou verschijnen.

“ Hij laat nogal op zich wachten, is het niet?” zei de grote wijzer.
“ Dit is niets voor hem, normaal is hij altijd erg stipt” zei de kleine wijzer.
Het meisje antwoordde twijfelend: “ Misschien had hij vandaag belangrijkere zaken aan zijn hoofd.
“ Onzin!”, zei de grote wijzer, “wat kan er nu belangrijker zijn dan om jou op weg te helpen.”
“ Nee, we wachten nog even. We zullen zien dat er spoedig een briesje zal komen”
Ze zagen de zon opkomen, op haar toppunt schijnen en weer ondergaan.
Maar geen briesje, geen zuchtje, had het meisje gevoeld.
Toen de nacht was gevallen en de maan het van de zon had overgenomen, de sterren begonnen te twinkelen, besloot het meisje maar te gaan.
Ze nam afscheid van de wijzers en stapte van de klok af.
Net toen ze zich wilde omdraaien en naar binnen wilde lopen zag ze ineens in haar rechter ooghoek een blaadje spelend rond dwarrelen.
Ze voelde de verkoeling die ze altijd drukkend in haar rug had gevoeld en hoewel ze dat nooit aangenaam had gevonden was dit een moment die haar nieuwsgierig maakte en die anders was dan de vorige keren in haar ontmoeting met de wind.

“ Wind bent u dat? Wind ik heb de hele dag gestaan, maar ik ben niet vooruit gekomen. De tijd staat stil en ik weet niet wat ik moet doen” zei het meisje.
De wind verzuchtte: “ Kind het is tijd om zelf te lopen en te gaan.
Het meisje keek naar de weg naast de klok. Ze had er wel vaker naar gekeken maar nooit had ze de moed gehad zelf de stappen te zetten.
Wie wist wat er zou zijn als ze het pad zou aflopen, waar zou ze dan terechtkomen?

“ Loop het pad af” , klonk het, “ Loop het pad af” .
“ Nu?” zei het meisje, “maar het is donker en wie zal mij leiden als u mij niet duwt?”
De wind sprak: “ Ik heb je nooit geduwd, je hebt mij achter je gezet en bent zelf op de wijzers blijven staan. Je hebt je laten leiden door de klok”.
“ Kom, kom” , zei de grote wijzer, “ De tijd tikt, snelheid is geboden, ga, kom hier en ga!”
Het meisje begon langzaam te begrijpen dat het niet de wind was die haar voort had gedreven, maar de klok. Het was de klok die haar gevangen hield.
De wind sprak zacht:
“Ik ben de wind die je leidt op de momenten dat je zelf niet durft te vliegen” .
Op dat moment tilde de wind haar op en zette haar op het pad, voorzichtig en liefdevol. Het meisje tilde haar voet op en langzaam zette ze het puntje van haar teen op de aarde en na een enkel ogenblik, rustte haar voet op de plek van de stap die ze zelf had gezet. Een stap dat voor haar een eerste plek van vrijheid werd.
Niets had haar gedwongen, niets had haar verplicht en niemand wist hoe lang het had geduurd.
Niets van dat deed er toe:
Ze had alle tijd, want de tijd stond stil..

 ©Wendyvanschaik2015