Dan kabbelde ze
Ze kabbelde in een bootje
Woei, waaide, vaarde
Hoog, over de golven
Haar ogen dicht, de wind
De wind streelde haar haar
En koelde de verzengende brandende hitte op haar huid

En hij, hij kabbelde mee
Zat bij haar voeten
Kietelde, haar tenen
Een sprietje,
Hij lachte zijn tanden bloot
Zij bloosde, hij had haar lief
De zon verwarmde nog meer dan dat zij al hadden gevierd

Het licht bleef
Stralen schitterden
de donker wolken zouden ze niet kennen
Want het donker vond hen niet
Zij schuilden samen
Muisstil en onaantastbaar
Begroeven zich diep in hun liefde

En zo was het mooi gebleven
Zo was het goed gegaan
Zo hadden ze het kunnen pakken
Vasthouden
Grijpen
Houd het vast!
Laat niet los!
Gooi het anker uit!
Laat de liefde niet zinken in de oceaan..

Ze kabbelden…
Kabbelden naar een stroming verveling
Frisse winden waaiden verder
de kou vond zijn weg in het hart
Het gevecht van loslaten;
“Ga niet weg, blijf bij me”
Maar de liefde had besloten een andere richting in te varen…

Dus kabbelde ze
Ze kabbelde verder
Zoekend, in een bootje
Het stormde, brieste, waaide
Haar hart roepend naar hem
Haar ogen dicht,
En de wind
De wind streelde troostend haar haar

©Wendyvanschaik2014